ECLI:NL:CRVB:2005:AU2198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering overname loonbetalingsverplichtingen uitzendbureau
Appellant verzocht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om overname van onbetaald gebleven loonbetalingsverplichtingen van zijn voormalige werkgever, een uitzendbureau dat haar activiteiten in 2001 staakte. Het Uwv weigerde dit omdat het uitzendbureau niet in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde en appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het dienstverband na 1 juli 2001 voortduurde en dat er nog loonbetalingen openstonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij geen documenten had overgelegd die zijn aanspraken en de hoogte daarvan konden onderbouwen. In hoger beroep stelde appellant dat hij volgens het geautomatiseerde systeem WeBBR tot 30 juni 2002 in dienst was en dat het uitzendbureau medio 2002 in financiële problemen was geraakt. Hij voerde verklaringen aan van een voormalig boekhouder en een directeur.
De Raad oordeelde dat vorderingen niet voor overname in aanmerking komen als zij niet duidelijk, concreet en aannemelijk zijn. Appellant had geen arbeidsovereenkomst, loonstroken of werkbriefjes overgelegd. De verklaringen van de boekhouder waren tegenstrijdig en onvoldoende. Het WeBBR-systeem was onbetrouwbaar en kon niet als bewijs dienen. Daarom was de weigering van het Uwv terecht en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het Uwv om de loonbetalingsverplichtingen van het uitzendbureau over te nemen wegens onvoldoende bewijs van een vordering.