ECLI:NL:CRVB:2005:AU2244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontving onverschuldigd toeslag over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 maart 1998, welke door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd teruggevorderd. Appellant voerde aan dat hij steeds de juiste gegevens had doorgegeven en dat het UWV te lang had stilgezeten met herziening en terugvordering, waardoor het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat geen sprake was van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad benadrukte dat terugvordering slechts kan worden afgezien in incidentele gevallen met bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden die onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene veroorzaken.
De Raad stelde vast dat appellant pas in oktober 1997 melding maakte van de inkomsten van zijn echtgenote, terwijl hij daartoe verplicht was. Het beroep op het stilzitten van het UWV betreft de oorzaak van de terugvordering en niet de gevolgen daarvan, en vormt geen dringende reden. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag wordt bevestigd omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om hiervan af te zien.