ECLI:NL:CRVB:2005:AU2258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W. Schuttel
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en vaststelling aflossingscapaciteit
Appellant is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aangesproken op terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode 1992-1997. Het geschil betreft met name de vaststelling van de aflossingscapaciteit van appellant, die door het Uwv is vastgesteld op € 248,95 per maand. Appellant stelde dat hij maandelijks € 360,- aan rente en aflossing betaalt aan de Rabobank voor een doorlopend krediet, waardoor zijn aflossingscapaciteit lager zou zijn.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak is in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. De Raad oordeelde dat de maandelijkse betaling aan de Rabobank geen betalingsregeling is zoals bedoeld in het Besluit Tica, omdat appellant het krediet feitelijk niet aflost en de Rabobank geen executoriale titel heeft. Hierdoor is er geen reden om de verplichtingen aan de Rabobank voorrang te geven boven de schuld aan het Uwv.
Verder werd overwogen dat het beleid van het Uwv om invordering via beslaglegging voort te zetten ook na drie jaar rondkomen van 90% van de bijstandsnorm redelijk is, omdat appellant niet vrijwillig aan zijn terugbetalingsverplichting voldoet. De Raad concludeert dat het Uwv de aflossingscapaciteit niet te hoog heeft vastgesteld en bevestigt het bestreden besluit.
De uitspraak is gedaan door voorzitter Ch. van Voorst en leden J.W. Schuttel en M.S.E. Wulffraat-van Dijk, uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en de vastgestelde aflossingscapaciteit van € 248,95 per maand.