ECLI:NL:CRVB:2005:AU2296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking interim-manager met gezagsverhouding
Appellante was het niet eens met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die oordeelde dat betrokkene als interim-manager in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was en dat sprake was van een gezagsverhouding. Appellante stelde dat deze gezagsverhouding ontbrak, mede omdat interim-management slechts een van haar drie taakgebieden zou zijn en de feitelijke omstandigheden anders waren dan in eerdere uitspraken van de Raad.
De Raad overwoog dat het verrichten van werkzaamheden van wezenlijke betekenis voor de bedrijfsvoering een aanwijzing kan zijn voor het bestaan van een gezagsverhouding, maar dat dit op zichzelf niet voldoende is. In dit geval waren er echter ook andere aanwijzingen aanwezig, zoals de rapportageverplichting van betrokkene aan appellante en de aanwezigheid van schaduwmanagement. Dit bevestigde de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig waren: persoonlijke dienstverrichting, loonbetaling en gezagsverhouding. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat verzekeringsplicht uit de wet voortvloeit en niet kan worden uitgesloten op grond van eerdere fouten.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de privaatrechtelijke dienstbetrekking met gezagsverhouding bevestigd.