ECLI:NL:CRVB:2005:AU2300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid vanaf 1 november 1997
Appellante, voormalig produktiemedewerkster, vroeg met terugwerkende kracht een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan wegens nek- en schouderklachten die sinds 1994 zouden bestaan. De verzekeringsarts liet haar onderzoeken door een neuroloog die geen psychiatrische aandoening vaststelde. Op basis hiervan weigerde het UWV de uitkering met ingang van 1 januari 1994.
Na bezwaar en aanvullende medische rapporten, waaronder van een psychiater die een ernstige karakterneurose en depressie constateerde, bleef het UWV bij zijn standpunt. De rechtbank bevestigde dat appellante niet arbeidsongeschikt was per 1 januari 1994, maar oordeelde dat het UWV onvoldoende had gereageerd op de aanvraag. De Raad bevestigde dit oordeel in 2001.
In een nieuw besluit weigerde het UWV opnieuw een uitkering, nu met ingang van 1 november 1997, omdat appellante niet voldeed aan de inkomenseis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat er geen aanwijzingen zijn dat de medische beoordeling onzorgvuldig was of dat de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid onjuist is vastgesteld. Het rapport van de psychiater was onvoldoende toegespitst op de relevante periode om het oordeel te wijzigen.
De Raad concludeert dat appellante in het jaar voorafgaand aan 1 november 1997 geen inkomen uit arbeid heeft genoten, maar onvoldoende arbeidsongeschikt was om een WAO-uitkering te rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering met ingang van 1 november 1997.