ECLI:NL:CRVB:2005:AU2302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens onvoldoende bewijs huishouden dochter
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van kinderbijslag voor zijn dochter Hilal over de periode van het vierde kwartaal 1998 tot en met het derde kwartaal 1999. De Sociale verzekeringsbank had het recht op kinderbijslag ingetrokken omdat zij meende dat Hilal niet meer tot het huishouden van appellant behoorde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant dit niet met objectieve gegevens had aangetoond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn dochter pas na zijn detentie in augustus 1999 bij zijn ouders ging wonen en dat de verklaring dat Hilal vanaf het vierde kwartaal 1998 bij haar grootouders woonde, onjuist was. De Raad oordeelde dat de Sociale verzekeringsbank onvoldoende had aangetoond dat Hilal niet tot het huishouden van appellant behoorde in de bestreden periode. Tevens was het besluit niet deugdelijk gemotiveerd en was artikel 3:2 van Pro de Awb geschonden.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover het de intrekking van de kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal 1998 tot en met het derde kwartaal 1999 betreft. De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij de Sociale verzekeringsbank het beleid correct moet toepassen. Tevens werd de Sociale verzekeringsbank veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van kinderbijslag over het vierde kwartaal 1998 tot en met het derde kwartaal 1999 wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing.