ECLI:NL:CRVB:2005:AU2304

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3242 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • R.C. Stam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 CSVArt. 13 lid 3 LABArt. 7 Boetebesluit werkgevers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping boete wegens onduidelijkheid tijdstip overtreding loonsommelding

De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een werkgever over het tijdstip waarop een overtreding van de meldingsplicht van loonsomveranderingen heeft plaatsgevonden. De werkgever had nagelaten binnen drie maanden melding te maken van een loonsomverandering die meer dan 5% en ten minste f 5.000,- bedroeg. De kern van het geschil is of het oude sanctiebeleid (tot 1 april 2002) of het nieuwe sanctiebeleid (vanaf 1 april 2002) van toepassing is.

De rechtbank had geoordeeld dat de overtreding zich vóór 1 april 2002 had voorgedaan, waardoor het oude, voor de werkgever gunstigere sanctiebeleid van toepassing was. Het Uwv stelde in hoger beroep dat het tijdstip van overtreding niet vast te stellen was en hanteerde daarom de fictie dat de wijziging uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar had plaatsgevonden, waardoor de overtreding op 1 april 2002 zou zijn gepleegd en het nieuwe sanctiebeleid van toepassing zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overtreding op of na 1 april 2002 heeft plaatsgevonden, mede omdat niet aannemelijk is dat na 23 december 2001 nog salarisbetalingen zijn gedaan. Gelet op het oude sanctiebeleid en artikel 7 van Pro het Boetebesluit werkgevers betekent dit dat de boete niet zal worden opgelegd. De Raad herroept daarom het boetebesluit van 9 oktober 2002 en veroordeelt het Uwv in de proceskosten van de werkgever.

Uitkomst: De boete wordt herroepen omdat het tijdstip van overtreding niet aannemelijk is vastgesteld en het oude sanctiebeleid van toepassing is.

Uitspraak

04/3242 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Groningen op 4 mei 2004, onder kenmerk 02/1193, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 7 juli 2005, waar namens appellant- daartoe opgeroepen- is verschenen mr. M. Krikke, werkzaam bij het Uwv en waar namens gedaagde zijn verschenen [naam directeur], directeur van gedaagde, en drs. A.J. Stapel, economisch adviseur te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Artikel 10 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) en het Loonadministratiebesluit van 28 december 1997, Stcrt. 1987, 252 (verder te noemen: het LAB), leggen een werkgever een aantal verplichtingen op met betrekking tot de loonadministratie.
In artikel 13, derde lid, van het LAB, zoals dit luidde ten tijde hier in geding, is bepaald dat de werkgever verplicht is uit eigen beweging mededeling te doen van elke verandering in de loonsom gedurende het premiebetalingstijdvak, welke er toe leidt dat het feitelijk verloonde bedrag meer dan 5%, doch ten minste een bedrag van f 5.000,- hoger is dan het loonbedrag waarop de voorschotnota is gebaseerd. Deze mededeling dient te geschieden binnen drie maanden na bedoelde verandering.
Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft appellant gedaagde een boete ad fl. 289,-opgelegd, omdat zij had nagelaten melding te maken van een verandering in de loonsom in 2001 van meer dan 5% en ten minste f 5.000,--.
Bij besluit van 15 november 2002 heeft appellant het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen dat anders dan appellant bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt heeft genomen, de beboete overtreding zich vóór 1 april 2002 heeft voorgedaan, zodat appellant toepassing had moeten geven aan zijn, in dit geval voor appellant gunstigere, tot 1 april 2002 gevoerde sanctiebeleid.
Appellant keert zich in hoger beroep tegen dit oordeel met het betoog dat door hem niet is vast te stellen op welke dag de overtreding is gepleegd en dat hij om die reden uitgaat van de (in de meeste gevallen voor de werkgever gunstigere) fictie dat de wijziging van de loonsom uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar heeft plaats gevonden, zodat de werkgever binnen drie maanden na die dag (uiterlijk op 31 maart van het daarop volgende jaar) de verandering had moeten melden. Als deze fictie in dit geval (ook) wordt gehanteerd, moet er van worden uitgegaan dat de overtreding door gedaagde op 1 april 2002 heeft plaats gevonden en is het door appellant vanaf die datum gevoerde nieuwe, in dit geval voor gedaagde ongunstigere sanctiebeleid van toepassing.
De Raad overweegt het volgende.
Met de rechtbank stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde op enig tijdstip de op hem ingevolge artikel 13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit rustende verplichting niet is nagekomen. Partijen verschillen van mening over het tijdstip waarop de overtreding is gepleegd en daarmee over de vraag of het oude of nieuwe sanctiebeleid moet worden toegepast. Op grond van het tot 1 april 2002 gevoerde sanctiebeleid bedraagt de boete 1%, op grond van het nieuwe sanctiebeleid 5% van het alsnog verschuldigde premiebedrag.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat appellant er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de door gedaagde gepleegde overtreding op of na 1 april 2002 is gepleegd, reeds, omdat niet aannemelijk is dat gedaagde na 23 december 2001 nog salarisbetalingen heeft gedaan.
Naar ter zitting door de gemachtigde van appellant is bevestigd, betekent de toepassing van het oude sanctiebeleid, gelet op artikel 7 van Pro het Boetebesluit werkgevers, dat de boete niet zal worden opgelegd. Hierin vindt de Raad aanleiding het besluit van 9 oktober 2002 te herroepen.
De Raad ziet, gezien het vorenstaande, aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat het primaire besluit van 9 oktober 2002 wordt herroepen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644 ,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 414,-- wordt geheven;
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2005.
(get.)B.J. van der Net.
(get.) J.P. Mulder.