ECLI:NL:CRVB:2005:AU2357

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/1596 WAO 05/1597 WAO e.a.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep in WAO-zaak ongegrond verklaard

De zaak betreft een verzet tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 mei 2005, waarin het hoger beroep van opposante in meerdere WAO-zaken niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet tijdig indienen van het beroepschrift.

Opposante voerde in het verzetschrift geen gegronde redenen aan die het verzuim konden rechtvaardigen. Bewijsmateriaal zoals het afschrift van het geheugen verzendrapport en het verzendjournaal werden door de Raad niet als sluitend bewijs beschouwd, omdat deze slechts indicaties geven van ontvangst en niet aantonen welke stukken zijn verzonden.

De Raad oordeelde dat er geen gronden waren om af te wijken van de eerdere beslissing en dat toepassing van artikel 8:75 Awb Pro niet aan de orde was. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter M.C.M. van Laar en griffier J.P. Mulder op 8 september 2005.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/1596 WAO 05/1597 WAO
05/1598 WAO 05/1599 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij uitspraak van de Raad van 26 mei 2005 is het door opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 december 2003, reg.nrs. 03/47, 03/48, 02/1851 en 02/1813 WAO, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak van de Raad heeft mr. R.P.P. Caubo, advocaat te Almere, bij brief van 6 juni 2005 een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 18 augustus 2005, waar opposante zich heeft laten vertegenwoordigen door T.G. de Winter, medewerker afdeling Sociaal Juridische Zaken bij opposante, bijgestaan door
mr. Caubo, en waar geopposeerde, zoals tevoren bericht, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 26 mei 2005 steunt kort samengevat hierop, dat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend en dat hetgeen opposante ter zake heeft aangevoerd geen grond bevat waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in het verzetschrift geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposante het verzuim niet kan worden tegengeworpen. Het overgelegde afschrift geheugen verzendrapport met de melding status OK vormt geen sluitend bewijs, maar slechts een indicatie dat het betreffende geschrift door de geadresseerde in goede orde is ontvangen.
Evenmin levert het door opposante ingezonden verzendjournaal over de periode
13 januari tot en met 16 januari 2004 een sluitend bewijs op. Zelfs al zou dit verzendjournaal bewijs leveren dat er stukken aan de Raad per fax zijn verzonden, dan nog blijkt hieruit niet welke stukken het zou betreffen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.C.M. van Laar als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 september 2005.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) J.P. Mulder.
MvK08095