ECLI:NL:CRVB:2005:AU2400

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6754 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbKoppelingswetBesluit beleid toetsing verblijfstitelBesluit toets verzekeringsplicht vreemdelingenAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over premieplicht Poolse werknemers en onderzoek verblijfsstatus

In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om de vraag of een werkgever premies moest afdragen voor vier Poolse werknemers tegen het anoniementarief, omdat geen afschriften van identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen aanwezig waren. De werkgever stelde dat deze werknemers op grond van de Koppelingswet niet verzekerd waren en dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) onderzoek had moeten doen naar hun verblijfsstatus.

De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. In hoger beroep beperkte de werkgever zich tot de vraag of de werknemers verzekerd waren volgens de Koppelingswet en of het UWV onderzoek had moeten doen naar de verblijfsstatus.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het primair op de weg van de werkgever ligt om zich te vergewissen van de verblijfsrechtelijke positie van de werknemers. Het UWV mag ervan uitgaan dat de werkgever alleen premies afdraagt voor verzekerde werknemers. De werkgever moet sluitend bewijs leveren als hij stelt dat werknemers illegaal waren. Het enkele feit dat de werkgever geen tewerkstellingsvergunningen heeft aangevraagd, is onvoldoende bewijs.

Ook het feit dat het UWV de verblijfsstatus niet heeft gecontroleerd via de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens doet hier niet aan af, omdat de betrokken werknemers waarschijnlijk niet in de GBA stonden ingeschreven. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een beroep op artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werkgever verantwoordelijk is voor het onderzoek naar de verblijfsstatus en dat de premieplicht blijft gelden.

Uitspraak

04/6754 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 8 december 2004 heeft mr. W.J.M. Overtoom, belastingadviseur te Schagen, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 2 november 2004, nummer 04/696, tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 juli 2005, waar namens appellante is verschenen J.H. Nieuwenhuizen, kantoorgenoot van de gemachtigde, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft geconstateerd dat appellante met betrekking tot vier Poolse werknemers premies heeft afgedragen, doch daarbij heeft nagelaten rekening te houden met het anoniementarief voor de loonheffing. Daartoe was appellante volgens gedaagde gehouden omdat zich van de betreffende werknemers geen afschriften van identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen in de loonadministratie van appellante bevonden. Gedaagde is vervolgens overgegaan tot aanvullende premieheffing over 2000 naar het anoniementarief met betrekking tot de vier Poolse werknemers.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen de opgelegde premienota 2000 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd wegens schending van de hoorplicht en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven. Gedaagde heeft in de aangevallen uitspraak berust.
Appellante heeft het hoger beroep expliciet beperkt tot het navolgende geschilpunt. Appellante stelt zich op het standpunt dat de betreffende personen op grond van de Koppelingswet niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringswetten, zodat voor deze personen geen premieplicht bestaat. Daarbij wijst appellante op de op gedaagde ingevolge het Besluit beleid toetsing verblijfstitel (Stcrt. 2001, 62) rustende verplichting om bij aanmelding van de werknemers onderzoek te doen naar de verblijfsstatus van de werknemers. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat het beroep op de Koppelingswet gepasseerd moet worden. Weliswaar heeft gedaagde na de aanmelding van de betrokken werknemers geen onderzoek ingesteld naar de verblijfsstatus doch zulks brengt niet mee dat de bewijslast, ter zake van de vraag of de betreffende werknemers niet verzekerd zijn op grond van de Koppelingswet, op hem komt te rusten.
In geding is de vraag of de aangevallen uitspraak in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 20 januari 2005, LJN AS7596, ligt het primair op de weg van de werkgever om zich te vergewissen van de verblijfsrechtelijke positie van de werknemers. Gedaagde mag er in beginsel van uit gaan dat een werkgever slechts voor (verzekerde) werknemers loonopgave doet en premies afdraagt. Indien de werkgever zich, zoals appellante, meerdere jaren later op het standpunt stelt dat sprake was van illegale werknemers, dan mag van de werkgever verwacht worden dat hij sluitend bewijs levert van de juistheid van die stelling. Dat bewijs acht de Raad niet geleverd met de enkele stelling van de werkgever dat hij heeft nagelaten de voor de betreffende personen vereiste tewerkstellingsvergunningen aan te vragen.
Aan het voorgaande doet niet af dat gedaagde overeenkomstig het tot 1 april 2001 geldende Besluit toets verzekeringsplicht vreemdelingen, bij aanmelding van een dienstverband van een vreemdeling in het algemeen de verblijfsstatus van de vreemdeling toetst middels raadpleging van de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Al zou gedaagde deze verificatie wel hebben uitgevoerd dan zou zulks niet tot uitsluitsel hebben geleid nu immers niet waarschijnlijk is dat de betreffende werknemers in de GBA zijn opgenomen. In dat geval zou gedaagde zich tot de werkgever hebben gewend, op wie ook dan de bewijslast zou hebben gerust dat de betrokken werknemers niet verzekerd waren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. drs. C.M. van Wechem en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Renden.