ECLI:NL:CRVB:2005:AU2405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- C.M. van Wechem
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen dienstbetrekking voor aandeelhouder-bestuurder bij werknemersverzekeringswetten
Appellant, aandeelhouder voor 42,4% en bestuurder van een besloten vennootschap, stelde dat hij onder de werknemersverzekeringswetten viel omdat hij een arbeidsovereenkomst had met de vennootschap en onder gezag van de Raad van Bestuur werkte. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen had dit echter afgewezen, en ook de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het contract dat appellant aanvoerde slechts een tijdelijke bezoldiging aan de bestuurder toekent en geen zelfstandige betekenis heeft als arbeidsovereenkomst. Omdat appellant niet onder het gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders werkt en ook niet onder gezag van een ander orgaan van de vennootschap, ontstaat er geen dienstbetrekking.
De Raad concludeerde dat de arbeidsverhouding van appellant niet als dienstbetrekking kan worden beschouwd op grond van de relevante wetsartikelen en regelgeving, en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. De Raad zag ook geen grond om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen dienstbetrekking heeft en niet verplicht verzekerd is op grond van de werknemersverzekeringswetten.