ECLI:NL:CRVB:2005:AU2440

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4461 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 4 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 5 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 6 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 7 Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over looncorrectie en verzekeringsplicht bedrijfsleidster

Appellante, een onderneming, werd geconfronteerd met correctienota's van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de jaren 1997 en 1998 naar aanleiding van een looncontrole. Het geschil betrof de vraag of een betrokken persoon, werkzaam als bedrijfsleidster, verplicht verzekerd was onder de werknemersverzekeringswetten en of de verstrekking van een woning als loon in natura moest worden aangemerkt.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het besluit vernietigd. De Raad oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat de betrokken persoon sinds juni 1997 beherend vennoot was, zoals appellante had gesteld. De verklaringen van de betrokken persoon en de directeur van de vennoten wezen uit dat zij als bedrijfsleidster werkzaam was.

Verder stelde de Raad vast dat de woning, gehuurd door een vennoot van appellante en om niet ter beschikking gesteld aan de bedrijfsleidster, terecht als loon in natura was aangemerkt. Het verband tussen de woning en de bedrijfsruimte was niet relevant. Gezien deze overwegingen werd het bestreden besluit vernietigd en werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante, met een vergoeding van het betaalde recht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

04/4461 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 17 augustus 2004 heeft mr. G.B. de Jong, advocaat te Roden, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Arnhem op 21 juli 2004, kenmerk 01/2210, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juni 2005, waar voor appellante is verschenen haar gemachtigde en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft naar aanleiding van een looncontrole ten laste van appellante correctienota’s opgelegd over de jaren 1997 en 1998, welke nota’s gedaagde na bezwaar van appellante bij het bestreden besluit van 2 november 2001 heeft gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft, naar aanleiding van het door appellante in hoger beroep aangevoerde, ter terechtzitting verklaard de toepassing van het anoniementarief niet langer te handhaven. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen om deze reden voor vernietiging in aanmerking.
Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat gedaagde ten onrechte [-]. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ter zake van haar werkzaamheden voor appellante als verplicht verzekerd ingevolge de werknemersverzekeringswetten heeft aangemerkt. Volgens appellante moet [betrokkene] sedert 23 juni 1997 als haar beherend vennoot worden aangemerkt. Voorts heeft gedaagde volgens appellante ten onrechte de waarde van de bij [betrokkene] om niet in gebruik zijnde woning in de premieheffing betrokken.
Met betrekking tot de verzekeringsplicht van [betrokkene] overweegt de Raad als volgt. Tussen partijen staat vast dat [betrokkene] in de in geding zijnde jaren voor appellante tegen betaling werkzaam is geweest. De Raad is met de rechtbank en op de door haar gebezigde motivering van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [betrokkene] in juni 1997 beherend vennoot van appellante is geworden, zoals door appellante is betoogd. Ook de Raad kent derhalve doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen van [betrokkene] en de directeur van de vennoten van appellante, dat [betrokkene] als bedrijfsleidster werkzaam was.
Met betrekking tot de woning van [betrokkene] overweegt de Raad dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat deze werd gehuurd door een vennoot van appellante en aan [betrokkene] om niet ter beschikking is gesteld, zodat naar het oordeel van de Raad sprake is van een verstrekking door appellante aan [betrokkene]. Niet relevant is de vraag of sprake is van een verband tussen de woning en de bedrijfsruimte waarin de werkzaamheden plaatsvinden. Gedaagde heeft de verstrekking derhalve terecht als loon in natura aangemerkt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde opnieuw beslist op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 627,27 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Renden.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending be-roep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.