ECLI:NL:CRVB:2005:AU2513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking financiële tegemoetkoming vervoer eigen auto op grond van Wvg
Appellant ontving sinds 1997 een financiële tegemoetkoming voor vervoer per eigen auto op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). In 2001 besloot de gemeente Leiden deze tegemoetkoming niet voort te zetten vanwege de invoering van het collectief vervoerssysteem OV-taxi. Appellant voerde aan dat hij vanwege medische redenen, waaronder het gebruik van plastabletten, niet met de OV-taxi kon reizen.
Na medisch advies van de GGD en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) werd vastgesteld dat appellant in staat was om met collectief vervoer te reizen, mits gebruik werd gemaakt van adequaat incontinentiemateriaal. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, stellende dat de medische gegevens geen beletsel vormen voor deelname aan het collectief vervoer en dat appellant in voorkomende gevallen gebruik kan maken van de OV-taxi met passend incontinentiemateriaal. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de financiële tegemoetkoming voor vervoer per eigen auto wordt bevestigd omdat appellant adequaat gebruik kan maken van het collectief vervoer met OV-taxi.