ECLI:NL:CRVB:2005:AU2536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WAO-besluit wegens onvoldoende onderzoek arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als zelfstandig centrale verwarmingsinstallateur en daarnaast als krantenbezorger, stopte op 8 mei 2000 met werken vanwege rug-, nek- en knieklachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe vanaf 6 mei 2001 met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.
Appellant stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid al eerder was ingetreden, onderbouwd met medische rapporten uit 1994 waaruit een hernia en radiculair syndroom bleken. Hij gaf aan vanaf 1996 zijn werkzaamheden te hebben beperkt en aangepast vanwege klachten, en dat hij in 1999 zelfs zeven maanden niet kon werken.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar het daadwerkelijke tijdstip van intrede van de arbeidsongeschiktheid en de aard en omvang van de werkzaamheden vóór die datum, waaronder de distributie van kranten. Het eerdere besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV-besluit wordt vernietigd en er wordt nader onderzoek gelast naar het tijdstip van arbeidsongeschiktheid en de aard van de werkzaamheden.