ECLI:NL:CRVB:2005:AU2538

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4108 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenSchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering op juiste medische en arbeidskundige gronden

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar tegen het intrekken van zijn WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het bestreden besluit berust op het oordeel dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is en geschikt is voor zijn eigen werk als tekenaar/constructeur.

De Raad heeft het medisch onderzoek door verzekeringsarts C. Stoffels, inclusief een uitvoerige anamnese en dossierstudie, beoordeeld en geen onzorgvuldigheden vastgesteld. Ook is geen aanleiding gevonden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.

Appellant voerde aan dat het doel van het onderzoek niet met hem was besproken en dat zijn belastbaarheid lager was dan vastgesteld, maar deze opvatting werd niet ondersteund door medische gegevens. De Raad achtte daarom het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag gebaseerd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering op basis van een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4108 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 26 juni 2003, nummer AWB 02/1289, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde, zoals tevoren was bericht, niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 19 april 2002, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 23 november 2001 waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van appellant met ingang van 30 december 2001 is ingetrokken onder overweging dat gedaagde appellant met ingang van die laatste datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet beschouwt. Hieraan ligt ten grondslag het in het bestreden besluit verwoorde oordeel van gedaagde dat appellant op die datum geschikt was voor zijn eigen werk als tekenaar/constructeur en hij op
30 december 2001 bij zijn werkgever in dienst was.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig gemotiveerd waarom het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.
De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de aangevallen uitspraak. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de juistheid van de medisch en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit maakt de Raad tot de zijne.
De Raad heeft geen aanleiding gevonden het medisch onderzoek door de verzekeringsarts C. Stoffels, dat de basis heeft gevormd voor het besluit van 23 november 2001 en het bestreden besluit, onzorgvuldig te achten. Al evenmin is de Raad gebleken dat die verzekeringsarts de tot hem gerichte voorschriften voor het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, die zijn vervat in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, niet in acht genomen zou hebben.
Het rapport van 12 april 2001 van de verzekeringsarts Stoffels berust op een uitvoerige anamnese, eigen onderzoek en bestudering van het dossier, met inbegrip van een eerder rapport van 9 juli 1997 dat op verzoek van gedaagde door de psychiater
J.H.M. van Laarhoven over appellant was uitgebracht.
Dat Stoffels, naar het zeggen van appellant, het doel van zijn onderzoek niet met hem zou hebben besproken, is in strijd met de opmerking van Stoffels in zijn rapport van
12 april 2001 onder "reactie van cliënt", waarin wordt opgemerkt dat appellant zich niet kon vinden in de bevindingen van Stoffels en dat appellant van mening was dat zijn belastbaarheid veel lager was dan door Stoffels was vastgesteld.
Opgemerkt zij voorts dat appellant ten tijde van het onderzoek door Stoffels niet onder medische behandeling was.
Onder die omstandigheden kan de Raad geen doorslaggevende betekenis toekennen aan de eigen, niet met medische gegevens ondersteunde, opvatting van appellant dat hij zijn eigen werk niet zou kunnen doen.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.D. Streefkerk.
Gw