ECLI:NL:CRVB:2005:AU2546

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4831 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-herzieningsbesluit na medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot herziening van zijn WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35% per 7 augustus 2000. De rechtbank Amsterdam had het medisch en arbeidskundig oordeel van de door haar ingeschakelde orthopedisch chirurg gevolgd en het besluit van het Uwv bevestigd.

In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte een schriftelijke reactie van zijn medisch adviseur niet aan de deskundige had voorgelegd. De Raad overwoog dat deze reactie geen nieuw licht wierp op de zaak en dat de deskundige reeds kennis had genomen van relevante medische gegevens zonder zijn oordeel te wijzigen.

Verder werd vastgesteld dat de aangescherpte belastbaarheidseis voor de linkerarm door de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige was verwerkt in het belastbaarheidspatroon, dat niet werd overschreden door de functies waarop de schatting was gebaseerd. Ook een voorgenomen medische ingreep die door appellant werd genoemd, was niet doorgegaan.

De Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te verwerpen of de zaak aan te houden voor nader onderzoek. De medische gegevens uit een letselschadezaak waren niet relevant voor de datum van beoordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot herziening van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4831 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2003, nummer AWB 01/3433 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 augustus 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar en waar namens gedaagde is verschenen mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 21 december 2001, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een eerder besluit van 15 augustus 2000, waarbij gedaagde heeft besloten appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 7 augustus 2000 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De rechtbank heeft appellant door de orthopedisch chirurg dr. W.H.J. Derks laten onderzoeken. De rechtbank heeft wat betreft het medisch aspect van de onderhavige beoordeling de conclusie van zijn deskundige in diens rapport van 17 april 2003 gevolgd en appellant op de datum in geding in staat geacht tot het verrichten van werkzaamheden met inachtneming van de door gedaagde vastgestelde belastbaarheid.
Ook wat betreft het arbeidskundig aspect heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op goede gronden berust.
Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot de overtuiging gebracht dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een onjuist oordeel heeft gegeven over het bestreden besluit.
Als grief is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de schriftelijke reactie van 22 juli 2003 van de medisch adviseur van appellants gemachtigde, de arts A.W. Lechner, niet aan zijn deskundige Derks heeft voorgelegd.
De rechtbank heeft dat niet voorleggen in de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" wordt genoemd, als volgt gemotiveerd:
" Het door eiser overgelegde rapport van 22 juli 2003 van medisch adviseur Lechner werpt geen ander licht op de zaak. Uit dit rapport kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de beperkingen van eiser meer omvattend zijn dan naar voren komt uit het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon. In de reactie van Lechner is voorts vermeld dat de deskundige ten onrechte voorbij is gegaan aan de conclusies van de geraadpleegde behandelende artsen. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat uit de brief van de deskundige van 18 juni 2003 blijkt dat deze deskundige kennis heeft genomen van de informatie van de behandelende artsen
prof. dr. F.L. Moll, vaatchirurg, dr. J.P.P.M. de Vries, chirurg, en dr. W.J. Willems, orthopedisch chirurg.
De deskundige heeft hierin geen aanleiding gezien om zijn conclusies, zoals neergelegd in zijn rapportage van 17 april 2003, te wijzigen. Een en ander in ogenschouw nemend ziet de rechtbank in de reactie van Lechner op het deskundigenrapport geen aanleiding om het deskundigenrapport en de daarin opgenomen conclusies niet te volgen.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om de zaak aan te houden teneinde de deskundige in de gelegenheid te stellen te reageren op de reactie van medisch adviseur Lechner van 22 juli 2003 dan wel voor het instellen van een nader onderzoek door een vaatchirurg.
De rechtbank merkt hierbij op dat van de zijde van eiser op de zitting van
26 november 2002 uitdrukkelijk is voorgesteld om een orthopedisch chirurg als deskundige te benoemen, in het geval de rechtbank hiertoe zou overgaan. De rechtbank heeft hieraan gevolg gegeven."
De Raad kan zich met deze overwegingen van de rechtbank volledig verenigen.
Voorts overweegt de Raad dat gedaagdes gemachtigde mr. Kleijs ter zitting van de Raad terecht heeft opgemerkt dat Lechner in zijn reactie van 22 juli 2003 op bladzijde 3 ten onrechte stelt dat gedaagde ervan uitgaat dat appellant met de linker arm 5 minuten aaneengesloten boven schouderhoogte zou mogen werken.
Dit standpunt van Lechner ziet eraan voorbij dat in bezwaar de bezwaarverzekeringsarts H. Donkers in zijn rapport van 29 juni 2001 wat betreft de linker arm het belastbaarheidspatroon op aspect 11 heeft aangescherpt van 5 minuten naar
1 minuut aaneengesloten gedurende een half uur per werkdag.
De bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur heeft vervolgens in zijn rapport van
29 oktober 2001 aangegeven welke functies aan die aangescherpte eis voldoen. De Raad heeft aan de hand van de gedingstukken kunnen vaststellen dat in geen van die in het rapport genoemde functies, die thans aan de schatting ten grondslag liggen, de op aspect 11 aangescherpte belastbaarheid wordt overschreden.
Voorts merkt de Raad op dat de, door Lechner op bladzijde 4 van zijn reactie van
22 juli 2003 als argument voor een andere besluitvorming door gedaagde genoemde, op handen zijnde ingreep door vaatchirurg Moll uiteindelijke niet is doorgegaan.
Onder deze omstandigheden acht ook de Raad zich door het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Derks voldoende voorgelicht over de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding.
Voorts overweegt de Raad naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd dat de medische gegevens van de letselschadezaak, die in hoger beroep zijn overgelegd, geen betrekking hebben op de datum 7 augustus 2000. Bovendien blijkt niet dat prof. dr. J.A. Rauwerda in zijn rapport van 9 februari 2004 in de letselschadezaak een oordeel heeft gegeven over de belastbaarheid in arbeid van appellant het kader van de WAO op de datum in geding.
Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit onjuist te achten.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.D. Streefkerk.
Gw