ECLI:NL:CRVB:2005:AU2767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en beoordeling belastbaarheid appellant
Appellant kreeg een WAO-uitkering die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd herzien van 35-45% naar 55-65% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en beroep werd het onderzoek heropend vanwege onvolledigheid. Een tweede besluit stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 65-80%. Appellant voerde aan dat zijn belastbaarheid door lichamelijke en psychische klachten nog beperkter was en dat de voorgehouden functies niet aan zijn belastbaarheid voldeden.
De Raad onderzocht de medische en arbeidskundige gegevens en concludeerde dat het Uwv geen overtuigend bewijs leverde dat de functie telefoniste passend was, mede vanwege langdurige statische nekbelasting. De functie schoonmaker werd als licht passend beoordeeld. De Raad vond de medische en arbeidskundige onderbouwing van het tweede besluit juist, maar vernietigde het eerste besluit omdat het arbeidskundig onjuist was.
De Raad oordeelde dat appellant recht heeft op wettelijke rente over de niet-betaalde uitkering vanaf 1 oktober 2001 en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep tegen het eerste besluit werd gegrond verklaard, het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige beoordeling van belastbaarheid en reële functietoewijzing bij WAO-herzieningen.
Uitkomst: Het eerste besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd; het tweede besluit wordt gehandhaafd; Uwv wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.