ECLI:NL:CRVB:2005:AU2775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Chr. van Voorst
- J.W. Schuttel
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij aangeboren hartafwijking
Appellante, geboren in 1942, diende in november 2000 een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een aangeboren hartafwijking met verslechtering. De verzekeringsarts stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 1 januari 1993, na een periode van herstel en intrekking van een eerdere uitkering.
Gedaagde, het UWV, wees de aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de inkomenseis van de AAW en geen uitzondering daarop gold. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel na raadpleging van een onafhankelijke cardioloog, die concludeerde dat er tussen 1981 en 1993 geen onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid was.
Appellante voerde aan dat haar arbeidsongeschiktheid eerder was ingetreden, gesteund door rapporten van het Instituut Psychosofia, maar deze werden niet overtuigend geacht. De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan het medische oordeel van de cardioloog en het ontbreken van specialistische behandeling tussen 1981 en 1999. Gezien het late tijdstip van aanvraag en het ontbreken van eerdere bezwaren tegen intrekkingsbesluiten, werd de vaststelling van 1 januari 1993 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag gehandhaafd.
De Raad oordeelde dat er geen gronden waren voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is terecht vastgesteld op 1 januari 1993 en het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.