ECLI:NL:CRVB:2005:AU2778

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2989 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 4 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 5 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtAlgemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking AOW-uitkering weduwe woonachtig in Marokko na overlijden echtgenoot

Appellante, een weduwe woonachtig in Marokko, had een AOW-pensioen ontvangen gebaseerd op de verzekeringsjaren van haar overleden echtgenoot. Na het overlijden van haar echtgenoot op 5 januari 2002 werd haar AOW-uitkering ingetrokken door de Sociale Verzekeringsbank. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze intrekking en de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel bekrachtigd.

De Raad overwoog dat op grond van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko en het bijbehorende Administratief Akkoord, appellante geen aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen na het overlijden van haar echtgenoot. De benaderingswijze van de Sociale Verzekeringsbank, waarbij het zelfstandig pensioenrecht van de echtgenote vervalt bij overlijden van de echtgenoot, wordt aanvaard zolang er geen nieuwe voorzieningen zijn die de discrepantie tussen de gewijzigde AOW en het verdrag opheffen.

Tenslotte wees de Raad het beroep van appellante af, ook omdat het nieuwe Verdrag van 22 juni 2000 geen relevante wijzigingen bevat voor haar situatie. Wel werd een nieuw AOW-pensioen toegekend met ingang van november 2004 op basis van het Verdrag van 30 september 1996, dat op 4 april 2005 in werking trad.

Uitkomst: De intrekking van de AOW-uitkering aan de in Marokko wonende weduwe na het overlijden van haar echtgenoot wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/2989 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2004, reg. nr. 03/622 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op
5 augustus 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan appellante, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, is bij besluit van 21 november 1997 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ten bedrage van 42% van het pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont. Dit pensioen was gebaseerd op de tijdvakken, waarin de echtgenoot van appellante verzekerd is geweest ingevolge de AOW. In een begeleidend schrijven bij deze brief is aan appellante meegedeeld dat haar AOW-pensioen zal worden ingetrokken bij echtscheiding en bij overlijden van haar (huwelijks) partner.
Op 5 januari 2002 is de echtgenoot van appellante, [naam echtgenoot], overleden.
Bij besluit van 30 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van 27 februari 2002 waarbij aan appellante is meegedeeld dat zij met ingang van 1 februari 2002 geen recht meer heeft op een AOW-pensioen.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De Raad deelt het standpunt van de rechtbank en heeft in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding kunnen vinden om tot een andersluidend oordeel te komen.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 4 juli 1990 (RSV 1991/77) moet geconcludeerd worden dat appellante na het overlijden van haar echtgenoot op grond van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Trb. 1972, 34 en het daarbij behorende Administratief Akkoord, Trb. 1973, 130 geen aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. De Raad heeft voorts herhaaldelijk overwogen dat hij de benaderingswijze van gedaagde, inhoudende dat in gevallen als hier aan de orde slechts een zelfstandig pensioenrecht aan de echtgenote wordt toegekend zolang haar echtgenoot in leven is, in afwachting van voorzieningen ter opheffing van de discrepantie tussen de vanaf 1985 gewijzigde AOW en het Verdrag met Administratief Akkoord aanvaardbaar acht. De Raad merkt in dit verband op dat aan appellante inmiddels bij besluit van 4 april 2005 met ingang van november 2004 een AOW-pensioen is toegekend als gevolg van de inwerkingtreding op die datum van het Verdrag, met Akkoord, van 30 september 1996.
De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat zij rechten kan ontlenen aan het Verdrag, met Akkoord, van 22 juni 2000, Trb. 2000, 97 nu hierbij geen wijzigingen zijn aangebracht in de voor het onderhavige geding relevante bepalingen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2005.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M. Gunter.