ECLI:NL:CRVB:2005:AU2784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid volgens WAO en waarde WVG-medische rapportages
Appellant was werkzaam als algemeen medewerker totdat hij op 1 december 2000 uitviel wegens fysieke klachten. Op basis van onderzoek door verzekeringsarts Bakker en arbeidsdeskundige Van der Zwaluw werd zijn arbeidsongeschiktheid per 30 november 2001 vastgesteld op 15-25%.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze vaststelling, stellende dat hij medisch meer beperkt was en verwees naar een WVG-rapportage van arts Ectors die kort na het WAO-onderzoek was opgesteld. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat de WVG-rapportage voor een ander doel was opgesteld en niet zonder meer relevant was voor de WAO-beoordeling.
De Raad stelde vast dat het onderzoek van verzekeringsarts Bakker zorgvuldig en deugdelijk was en dat er geen aanwijzingen waren voor een objectieve verslechtering van de gezondheidstoestand in de periode tussen de onderzoeken. Het hoger beroep faalde dan ook en de eerdere uitspraak werd bevestigd.
Tegelijkertijd erkende de Raad dat appellant per 15 november 2002 volledig arbeidsongeschikt was, maar deze datum lag buiten het bestreden besluit dat per 30 november 2001 gold. De procedurekostenveroordeling werd niet toegepast.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 november 2001 wordt bevestigd.