ECLI:NL:CRVB:2005:AU2908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks bezwaar over zorgvuldigheid
Appellant ontving sinds 1990 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, die later werd herzien en gedeeltelijk geschorst vanwege inkomsten uit arbeid. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug over de periode 1999-2001. Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en voerde aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door niet tijdig zijn inkomensgegevens te verwerken.
De rechtbank Alkmaar oordeelde dat terugvordering verplicht was op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO en wees het bezwaar af omdat geen dringende redenen aanwezig waren om van terugvordering af te zien. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af. De Raad stelde dat het niet tijdig verwerken van inkomensgegevens door het UWV geen dringende reden vormt en dat appellant tegen de besluiten tot herziening en intrekking van de uitkering geen bezwaar had gemaakt.
De Raad benadrukte dat de zorgvuldigheidstoetsing op de besluitvorming betrekking heeft, maar dat deze niet tot een ander oordeel leidt nu de bezwaarprocedure niet volledig is doorlopen. Daarmee blijft de terugvordering van € 6.458,02 bruto in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.