ECLI:NL:CRVB:2005:AU2927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- C.M. van Wechem
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premieplicht vaste onkostenvergoeding wegens bovenmatigheid en brutering
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin werd geoordeeld dat de vaste onkostenvergoedingen aan werknemers over de jaren 1997 tot en met 2001 onvoldoende waren onderbouwd. Gedaagde had deze vergoedingen als bovenmatig aangemerkt en volledig als loon belast, waarbij ook brutering werd toegepast.
De Raad overweegt dat zowel werkgever als werknemers zich bewust waren van de bovenmatigheid van de vergoedingen, onder meer vanwege netto loonafspraken en het indienen van aparte declaraties. Ook was de werkgever bij betaling al bereid om eventuele fiscale en premierechtelijke consequenties voor eigen rekening te nemen, wat de toepassing van brutering rechtvaardigt.
Appellante slaagde er niet in een deugdelijke onderbouwing van de gemaakte kosten te leveren, ondanks eerdere waarschuwingen en afspraken om kosten gespecificeerd bij te houden. De Raad verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat vergelijkbare gevallen niet aannemelijk waren.
Daarmee bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat de gehele vaste onkostenvergoeding als premieplichtig loon moet worden aangemerkt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de vaste onkostenvergoeding als premieplichtig loon moet worden aangemerkt en dat brutering terecht is toegepast.