ECLI:NL:CRVB:2005:AU2939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- P.C. de Wit
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 juli 1985 een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, dat vanaf 1 juli 1996 werd omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante samenwoonde met haar partner, stelde de Sociale verzekeringsbank een onderzoek in. Dit onderzoek, inclusief dossieronderzoek en getuigenverklaringen, leidde tot het besluit om de nabestaandenuitkering per 31 maart 2000 te beëindigen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder mededeling.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar en haar partner's verklaringen onder druk waren afgelegd, maar kon dit niet met objectieve gegevens aantonen. De Raad stelde vast dat appellante en haar partner afwisselend verbleven in elkaars woningen en dat de partner na maart 2002 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had. Ook was er sprake van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling die verder ging dan het delen van woonlasten.
De Raad concludeerde dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding was voldaan en dat de intrekking van de uitkering terecht was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.