ECLI:NL:CRVB:2005:AU3060

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4935 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant kreeg per 16 december 1999 zijn WAO-uitkering ingetrokken omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het besluit gehandhaafd. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep betoogde appellant dat de medische beoordeling niet zorgvuldig was, omdat geen informatie was ingewonnen bij de behandelende sector. Ook stelde hij dat de voor hem geselecteerde functies niet passend waren vanwege onvoldoende opleidingsniveau.

De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die geen aanleiding zagen het primaire medische oordeel te wijzigen. Nadere raadpleging van de behandelende sector was niet noodzakelijk omdat er geen afwijkende medische standpunten waren ingebracht. De functies van wikkelaar, monteur transformatoren en samensteller hydraulische componenten werden passend geacht, mede gezien de eenvoudige aard van deze functies en de vastgestelde werkervaring en taalvaardigheid van appellant.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en zag geen reden om af te wijken van de intrekking van de WAO-uitkering. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 16 december 1999 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4935 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 januari 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellant krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 16 december 1999 ingetrokken omdat appellant met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 september 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 27 augustus 2003 (nr. WAO 02/2816) het tegen het besluit van 27 september 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 28 oktober 2003 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 18 december 2003, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 augustus 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding ligt de vraag ter beantwoording voor of de intrekking van appellants uitkering krachtens de WAO per 16 december 1999 in rechte stand kan houden.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geweest aangezien bij de herbeoordeling geen informatie is ingewonnen vanuit de behandelend sector. Verder is appellant van mening dat de hem voorgehouden functies van wikkelaar, monteur transformatoren en samensteller hydraulische componenten niet passend zijn omdat hij niet aan het voor hem vastgestelde, en in die functies vereiste, opleidingsniveau 2 kan voldoen.
Gelet op de beschikbare gegevens ziet de Raad geen aanleiding de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad wijst er op dat de verzekeringsarts J.A.M. van Uitert op 18 augustus 1999 appellants belastbaarheid heeft vastgelegd op basis van dossierstudie, anamnese en door hem verricht lichamelijk onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts G.J. Kruithof heeft in zijn rapportage van
16 september 2002 gemotiveerd aangegeven dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel.
Met betrekking tot de grief van appellant dat gedaagdes bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelende sector zodat de medische beoordeling niet zorgvuldig tot stand is gekomen, overweegt de Raad dat de gedingstukken geen aanleiding geven het voor onjuist te houden dat gedaagde de door hem opgestelde richtlijn heeft gevolgd, welke erop neer komt dat de (bezwaar)verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel.
Nadere raadpleging van de behandelende sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid,
of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over diens beperkingen. Uit de stukken komt een dergelijk afwijkend standpunt niet naar voren. Ook in (hoger) beroep zijn geen medische verklaringen ingebracht die aanleiding geven te veronderstellen dat gedaagde appellants beperkingen heeft onderschat.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de hem voorgehouden functies niet passend zijn omdat hij niet aan het vereiste opleidingsniveau kan voldoen. Van de zijde van gedaagde is er op gewezen dat de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft aangegeven dat appellant Nederlands spreekt en dat hij werkervaring in Nederland heeft zodat hij voldoet aan de eis VBO-niveau.
De Raad overweegt in dit verband dat hij, gelet op de ter zake gegeven toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige alsmede het feit dat het hier gaat om eenvoudige productiematige functies, geen aanleiding ziet om tot het oordeel te komen dat de functies van wikkelaar, monteur transformatoren en samensteller hydraulische componenten niet aan de schatting ten grondslag gelegd kunnen worden.
De Raad is van oordeel dat bij de selectie van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate rekening is gehouden met de voor appellant geldende medische beperkingen, zodat deze functies voor appellant ook in medisch opzicht als passend moeten worden aangemerkt.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
Gw