ECLI:NL:CRVB:2005:AU3064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W. Schuttel
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig medewerker bij een supermarkt, viel uit wegens rugklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De uitkering werd geweigerd.
In eerste aanleg werd de weigering bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat de beperkingen niet waren onderschat en de resterende functies passend waren. In hoger beroep bracht appellante aanvullend FCE-onderzoek in, dat echter ruim twee jaar na de peildatum was uitgevoerd en volgens de Raad met terughoudendheid moet worden beoordeeld.
De Raad achtte het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en vond geen aanwijzingen voor zwaardere beperkingen. De vergelijking van loonwaarden van passende functies met het maatmaninkomen toonde een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt geweigerd omdat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.