ECLI:NL:CRVB:2005:AU3072

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/617 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Abw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor therapiekosten met terugwerkende kracht

Appellante, een WAO-uitkeringsgerechtigde die therapie volgt voor burn-out klachten, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van deze therapie met terugwerkende kracht vanaf mei 2001. De gemeente wees de aanvraag af, waarna bezwaar werd gemaakt en gedeeltelijk toegewezen met ingang van november 2001. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat zij al eerder contact had gehad met de gemeente en andere instanties om vergoeding te verkrijgen, en dat zij daarom recht had op terugwerkende kracht vanaf mei 2001. De Raad overwoog dat bijstand op aanvraag wordt verleend en dat terugwerkende kracht slechts bij bijzondere omstandigheden mogelijk is. Er is echter geen bewijs dat appellante eerder dan november 2001 een aanvraag heeft ingediend of dat zij gegronde redenen had voor latere indiening.

De Raad concludeerde dat appellante niet aantoonde dat zij door psychische of andere redenen niet tijdig een aanvraag kon indienen, mede omdat haar vader haar kon bijstaan. Ook het feit dat zij niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid tot bijzondere bijstand vormt geen bijzondere omstandigheid. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht bevestigd.

Uitspraak

04/617 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] , wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam op 19 december 2003, reg.nr. 03/544 NABW.
Gedaagde heeft bij wijze van verweerschrift meegedeeld zich te conformeren aan het standpunt van de rechtbank.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 augustus 2005, waar appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door A. Vreeling, de vader van appellante, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) aangevuld met een WAO hiaat verzekering. Ter behandeling van haar burn-out klachten is appellante in therapie bij een psycholoog. De kosten van deze therapie worden slechts gedeeltelijk vergoed door het ziekenfonds.
Op 18 november 2001 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) voor de voor eigen rekening blijvende kosten van voornoemde therapie. Bij besluit van 21 december 2001 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Het tegen het besluit van 21 december 2001 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 10 december 2002 gegrond verklaard met dien verstande appellante alsnog met ingang van 1 november 2001 bijzondere bijstand voor de kosten van psychotherapie is toegekend.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 10 december 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd, voorzover haar geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht vanaf 16 mei 2001 is toegekend. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat appellante zich al in een eerder stadium tot gedaagde heeft gewend en dat zij voorts zonder resultaat eerst verschillende andere instanties heeft benaderd om het overige deel van de kosten voor haar therapie vergoed te krijgen.
De Raad overweegt het volgende.
Uit het in artikel 67, eerste lid, van de Abw neergelegde primaire uitgangspunt volgt dat bijstand op aanvraag wordt verleend en dat derhalve in beginsel geen bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht. Dit geldt zowel voor algemene bijstand als voor bijzondere bijstand. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Raad is in dit geval van dergelijke omstandigheden niet gebleken.
Niet is komen vast te staan dat appellante al eerder dan op 18 november 2001 bijzondere bijstand voor de in geding zijnde kosten heeft aangevraagd. Evenmin is gebleken dat ap-pellante op enigerlei wijze actie in de richting van gedaagde heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Met name bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat zij medio mei 2001, althans ruim voorafgaand aan de aanvraag, al telefonisch contact heeft gehad met medewerkers van gedaagde met de bedoeling een aanvraag in te dienen.
Voorts is de Raad niet gebleken dat appellante gedurende de periode van medio mei tot 18 november 2001 buiten staat was een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen dan wel een gegronde reden voor latere indiening had. Dat zij om psychische redenen verhin-derd zou zijn tijdig een aanvraag in te dienen is niet met objectief medische gegevens onderbouwd. Zo er al belemmeringen waren voor appellante voor het indienen van een aanvraag, zou zij bovendien een derde hebben kunnen inschakelen om namens haar een aanvraag in te dienen. In dat verband merkt de Raad nog op dat uit de stukken valt af te leiden dat de vader van appellante zich destijds schriftelijk namens appellante met diverse instanties heeft verstaan en voorts dat er door appellante en haar vader kennelijk bewust voor is gekozen niet eerder naar een andere instantie te stappen dan dat terzake door die instantie een beslissing was genomen.
Dat appellante er niet eerder van op de hoogte was dat zij voor de betreffende kosten bijzondere bijstand kon aanvragen kan evenmin als een bijzondere omstandigheid in bovenbedoelde zin gelden.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak in aanmerking komt voor bevestiging.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
HE/295