ECLI:NL:CRVB:2005:AU3073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van UKW-uitkering bij vier-uit-vijf-eis WW
In deze zaak staat centraal of de jaren 1998 en 1999, waarin de betrokkene een UKW-uitkering ontving en niet werkte, mee mogen tellen voor de vier-uit-vijf-eis van de Werkloosheidswet (WW). De betrokkene was met leeftijdsontslag gegaan en ontving sindsdien een UKW-uitkering. Na een periode van werkloosheid en een kortdurende WW-uitkering ontstond discussie over de kwalificatie van de UKW-uitkering als loon.
De rechtbank Arnhem had het bezwaar van de betrokkene tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Het UWV stelde in hoger beroep dat de UKW-uitkering niet als loon kon worden beschouwd omdat deze uitkering niet onder de WW valt en op grond van artikel 17b, zevende lid, aanhef en onder a, van de WW niet als loon geldt.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de UKW-uitkering, gezien de aard en strekking en de wettelijke bepalingen, wel als loon moet worden aangemerkt. De Raad verwijst naar de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen en de Wet premieheffing over uitkeringen, waarbij uitkeringen ingevolge sociale verzekeringen sinds 1987 tot het loon worden gerekend. De Raad bevestigt dat de UKW-uitkering niet valt onder de uitzondering van artikel 17b, zevende lid, aanhef en onder a, WW, omdat deze bepaling alleen ziet op uitkeringen krachtens de WW zelf.
De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het UWV ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene en legt griffierecht op.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de UKW-uitkering meetelt als loon voor de vier-uit-vijf-eis en wijst het hoger beroep van het UWV af.