ECLI:NL:CRVB:2005:AU3111

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2057 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslag op WW-uitkering binnen wettelijke grenzen ondanks persoonlijke omstandigheden

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen waarin werd geoordeeld dat het beslag op zijn WW-uitkering door het LBIO rechtmatig was. De rechtbank had vastgesteld dat de betalingsbeslissing van 2 maart 1998 binnen de wettelijke grenzen van het beslag bleef en dat er in de bestuursrechtelijke procedure van de geldigheid van het beslag moet worden uitgegaan, ook al had appellant aangevoerd dat zijn persoonlijke omstandigheden niet waren meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en neemt diens motivering over. Het hoger beroep voegt geen nieuwe gronden toe die aanleiding geven tot een ander oordeel. De Raad concludeert daarom dat de uitspraak van de rechtbank bevestigd kan worden.

Verder ziet de Raad geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing is genomen in het openbaar op 14 september 2005, waarbij mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter het vonnis heeft gewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het beslag op de WW-uitkering binnen de wettelijke grenzen blijft en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/2057 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zutphen op 27 februari 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 02-1512 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 augustus 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
1.0. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank uitvoerig gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat gedaagde met zijn betalingsbeslissing van 2 maart 1998, waartegen het bezwaar van appellant bij het thans bestreden besluit van 17 september 2002 ongegrond is verklaard, is gebleven binnen de grenzen van het door de LBIO op appellants uitkering krachtens de Werkloosheidswet gelegd beslag. Naar aanleiding van de grief van appellant dat gedaagde bij het bepalen van de omvang van het beslag geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, heeft de rechtbank er op gewezen dat in de bestuursrechtelijke procedure moet worden uitgegaan van de geldigheid van het beslag.
2.0. De Raad onderschrijft dat oordeel en maakt de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid, tot de zijne.
2.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in vergelijking tot het gestelde in eerste aanleg, geen nieuwe of andere gronden en behoeft derhalve, gelet op het onder 2.0. overwogene, geen bespreking meer.
3.0. Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
3.1. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
19.09