ECLI:NL:CRVB:2005:AU3113

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-5219 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 94 Besluit algemene rechtspositie politie
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen herstel dienstverband politieambtenaar wegens ziekte

De Korpsbeheerder van de Politieregio Limburg-Zuid heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht waarin het beroep van een politieambtenaar, die eervol ontslagen was wegens ziekte, gegrond werd verklaard. De rechtbank had het besluit tot eervol ontslag vernietigd vanwege onvoldoende onderzoek naar reïntegratiemogelijkheden.

Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht om de werking van de uitspraak van de rechtbank te schorsen, omdat hij meent dat het herstel van het dienstverband onwenselijk is en het vertrouwen in een succesvolle werkhervatting ontbreekt. De voorzieningenrechter overwoog dat het herstel van het dienstverband slechts inhoudt dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen met inachtneming van de rechtbankuitspraak.

Omdat het oorspronkelijke ontslagbesluit niet was vernietigd en het bezwaar de werking daarvan niet schorst, blijft het ontslag in stand tijdens de nadere besluitvorming. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen sprake is van onverwijlde spoed en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er waren ook geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat er geen spoedeisend belang is bij het schorsen van het herstel van het dienstverband.

Uitspraak

05/5219 AW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, in het geding tussen:
de Korpsbeheerder van de Politieregio Limburg-Zuid, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 juli 2005, nr. AWB 04/1847 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Tevens heeft verzoeker gevraagd om met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
2.1. Bij besluit van 21 november 2003 is gedaagde op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie eervol ontslag verleend wegens ziekte.
2.2. Het door gedaagde tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit van 17 september 2004 ongegrond verklaard.
2.3. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank was van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verzoeker heeft voldaan aan de in dit geval te stellen zware eisen aan het onderzoek van de mogelijkheden tot reïntegratie van gedaagde.
3. Ten betoge van zijn spoedeisend belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak heeft verzoeker aangevoerd dat hij ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genoodzaakt is een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen die wel haast onvermijdelijk inhoudt dat het dienstverband met gedaagde moet worden hersteld. Verzoeker heeft echter elk vertrouwen in een geslaagde werkhervatting van gedaagde verloren en meent dat zowel gedaagdes fysieke beperkingen als de beperkingen in herplaatsingsmogelijkheden binnen de politieregio het welslagen van een herplaatsingsonderzoek illusoir maken. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure stellig geen stand zal houden omdat de rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. Het door verzoeker aangeduide spoedeisend belang is gelegen in de onwenselijkheid van het herstel van het dienstverband en het gemis aan vertrouwen in de daarbij behorende feitelijke tewerkstelling van gedaagde.
4.3. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat het gevolg van de aangevallen uitspraak voor verzoeker niet meer (en niet minder) inhoudt dan dat hij met inachtneming van de overwegingen in die uitspraak, die zien op de herplaatsingsactiviteiten van verzoeker, een nadere beslissing op bezwaar tegen het besluit van 21 november 2003 moet nemen. Het handhaven van het ontslag is door de (overwegingen van) de rechtbank niet op voorhand uitgesloten of vrijwel onmogelijk gemaakt.
In de periode van nadere besluitvorming blijft het aan gedaagde gegeven ontslag in stand. Het besluit van 21 november 2003 is immers niet door de rechtbank vernietigd terwijl het daartegen gemaakte bezwaar, gegeven artikel 6:16 van Pro de Awb, de werking van dit besluit niet schorst. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van het vereiste spoedeisend belang.
4.4. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
5. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Aldus gegeven door mr. K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van J.W.M. van Schaik als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2005.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) J.W.M. van Schaik.
JvS
2405