ECLI:NL:CRVB:2005:AU3209
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding gebruikelijke vakantieduur
Appellante ontving een bijstandsuitkering en verbleef langer dan de toegestane vier weken per jaar in het buitenland, namelijk van 31 juli 2002 tot en met 23 september 2002. Gedaagde, het College van burgemeester en wethouders van Utrecht, trok op grond daarvan het recht op bijstand voor deze periode in en vorderde de onterecht betaalde kosten terug.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het besluit tot intrekking geen besluit in de zin van de Awb was, omdat appellante had berust in een eerder besluit. De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat het besluit van 8 oktober 2002 wel een nieuw, volwaardig besluit tot intrekking was waartegen bezwaar openstond.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het geen oordeel gaf over de intrekking van het recht op bijstand en vernietigde het besluit van 4 maart 2003 voor zover daarin niet op het bezwaar was beslist. De Raad bevestigde dat appellante geen recht had op bijstand over de genoemde periode en dat terugvordering van de kosten terecht was. Het beroep op leeftijdsdiscriminatie werd verworpen.
De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van de proceskosten en wees het verzoek om schadevergoeding af. Hiermee werd het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd, met inachtneming van de juiste procedurele behandeling.
Uitkomst: De intrekking van het recht op bijstand wegens overschrijding van de gebruikelijke vakantieduur wordt bevestigd en de terugvordering van ten onrechte betaalde bijstandskosten is terecht.