ECLI:NL:CRVB:2005:AU3210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging dienstverband tijdens ziekte
Appellant was sinds februari 2001 in dienst als timmerman en meldde zich in april 2002 ziek. De werkgever stuurde in juni 2002 een brief waarin werd gesteld dat appellant het dienstverband had beëindigd, terwijl de werkgever zelf het contract niet had opgezegd. De rechtbank oordeelde dat het ontslag nietig was omdat het tijdens ziekte en binnen twee jaar na ziekmelding was gegeven, en dat appellant had moeten reageren op de brief om de nietigheid in te roepen of zijn werkzaamheden te hervatten na herstel.
Appellant berustte echter in de beëindiging van het dienstverband en vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij zich niet aan de regels inzake arbeidsongeschiktheid had gehouden en de nietigheid van het ontslag niet had ingeroepen. In hoger beroep voerde appellant aan dat het van hem niet redelijk was te verwachten dat hij de arbeidsovereenkomst zou voortzetten vanwege verstoorde verhoudingen met de werkgever.
De Raad overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden en dat de uitkering terecht blijvend geheel was geweigerd. De Raad verwierp het verweer dat het niet inroepen van de nietigheid in strijd was met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel, omdat appellant tijdens de intake duidelijk was gewezen op de noodzaak dit te doen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.