ECLI:NL:CRVB:2005:AU3565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beschikbaarheid voor werk bij afwijzing WW-uitkering na intrekking WAO
Appellante, voormalig WAO-uitkeringsgerechtigde, vroeg een WW-uitkering aan nadat haar WAO-uitkering was ingetrokken omdat zij niet langer als arbeidsongeschikt werd beschouwd. Bij besluit werd de WW-uitkering geweigerd omdat appellante niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.
De Raad stelde vast dat appellante zich op het standpunt stelde dat zij om gezondheidsredenen niet in staat was om te werken. Ondanks dat zij op het aanvraagformulier had aangegeven beschikbaar te zijn, bleek dit ingegeven door een voorwaarde van het CWI om in aanmerking te komen voor de WW-uitkering. Op een rapportageformulier gaf zij aan niet beschikbaar te zijn en niet naar werk te hebben gezocht.
De rechtbank en de Raad concludeerden dat appellante niet voldeed aan de wettelijke eis van beschikbaarheid voor arbeid zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WW-uitkering bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante geen recht heeft op WW-uitkering omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid.