ECLI:NL:CRVB:2005:AU3930

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4785 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herziening arbeidsongeschiktheid

Appellant had een WAO-uitkering die per 1 juni 2000 werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vervolgens werd de uitkering per 1 februari 2001 ingetrokken. Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting was appellant afwezig, terwijl het Uwv zich liet vertegenwoordigen. De Raad heeft de gronden van de rechtbank overgenomen en het hoger beroep ongegrond verklaard, waarbij werd vastgesteld dat er geen gronden waren voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad bevestigde daarmee de intrekking van de WAO-uitkering en de eerdere uitspraken, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4785 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 8 januari 2001 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 juni 2000 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% en tevens aan appellant meegedeeld dat deze uitkering per 1 februari 2001 wordt ingetrokken.
Bij besluit van 27 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar gericht tegen de bij het besluit van 8 januari 2001 gedane intrekking van de uitkeringongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 12 september 2003, reg. nr. AWB 03/590 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 24 september 2003 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Bij schrijven van 10 december 2003 heeft mr. G.Th.J. Bos, advocaat te Leiden, een aanvullend beroepschrift ingediend.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 19 januari 2004 heeft gedaagde de Raad aanvullende stukken doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 19 augustus 2005 waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerige uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep ligt ter beantwoording de vraag voor of bij de aangevallen uitspraak terecht is beslist tot in standlating van het bestreden besluit.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, onder overneming van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden. In hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd - in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht en door de rechtbank op goede gronden is verworpen - heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.W. van Huussen.
CVG