ECLI:NL:CRVB:2005:AU3971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering na wachttijd wegens voldoende arbeidsvermogen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, staakte haar werk in december 1999 vanwege benauwdheids- en depressieve klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken werd haar verzoek om een WAO-uitkering afgewezen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), omdat zij naar oordeel van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige in staat werd geacht om passende arbeid te verrichten.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de medische grondslag van het besluit en zag geen reden voor een beperking van het aantal uren arbeid. Ook de stelling dat appellante niet zou kunnen voldoen aan het vereiste opleidingsniveau werd verworpen, mede omdat zij sinds 1978 in Nederland woont en redelijk Nederlands spreekt.
In hoger beroep bracht appellante geen nieuwe medische gegevens in. De Raad benadrukte dat ook functies met een lager opleidingsniveau waren geselecteerd en dat de aard van de functies eenvoudig en productiematig is. De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheidsschatting voldoende is onderbouwd en bevestigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering na afloop van de wachttijd wegens voldoende arbeidsvermogen.