ECLI:NL:CRVB:2005:AU3973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzonder geval bij te late aanvraag WAO-uitkering wegens multiple sclerose
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank die een besluit inzake een WAO-uitkering vernietigde. De betrokkene, gedaagde, had haar WAO-uitkering te laat aangevraagd, met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 maart 1996. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bijzonder geval in de zin van artikel 35, tweede lid, van de WAO, waardoor de te late aanvraag toch gegrond was.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat gedaagde sinds eind 1996 onder specialistische behandeling stond wegens klachten die later werden vastgesteld als multiple sclerose. Zij was per 1 maart 1996 en 1 april 1999 minder gaan werken vanwege deze klachten en had dit ook aan de instantie kenbaar gemaakt. De Raad oordeelt dat gedaagde zich bewust was van de beperkingen die haar aandoening oplegde en dat het redelijk was geweest om eerder een uitkering aan te vragen.
De Raad vernietigt daarom het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een bijzonder geval en verklaart het hoger beroep van appellant gegrond. Het besluit op bezwaar dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 maart 1996 stelt, wordt niet ter beoordeling aan de Raad voorgelegd. Hiermee wordt de aanvraag van de WAO-uitkering niet alsnog als bijzonder geval erkend.
Uitkomst: De Raad vernietigt het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval en verklaart het hoger beroep gegrond.