ECLI:NL:CRVB:2005:AU4072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellant ontving sinds 1998 een bijstandsuitkering. In 2003 stelde de sociale recherche een onderzoek in naar zijn woonsituatie. Op basis van het rapport van 9 mei 2003 beëindigde de gemeente Amsterdam de uitkering per 1 mei 2003, omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
Appellant diende een nieuwe aanvraag in die werd afgewezen wegens ongewijzigde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde aan wel op het adres te wonen, maar de Raad oordeelde dat hij tijdens meerdere huisbezoeken afwezig was, het gas en elektriciteit waren afgesloten en er geen voedsel aanwezig was.
Verklaringen van buren, een gezinsvoogd en een pleegzorgwerker konden dit niet weerleggen. Ook een vonnis van de kantonrechter over het eigendom van de woning was niet relevant voor de datum in geschil.
De Raad concludeerde dat appellant onjuiste of onvolledige informatie gaf over zijn woonadres, waardoor hij zijn inlichtingenplicht schond. De beëindiging van de uitkering en afwijzing van de aanvraag waren terecht. Het hoger beroep faalde en de uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht beëindigd en de nieuwe aanvraag terecht afgewezen wegens niet-wonen op het opgegeven adres.