ECLI:NL:CRVB:2005:AU4112

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2530 AAWAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet betalen griffierecht in hoger beroep sociale zekerheidszaak

De zaak betreft een verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een hoger beroep door opposant wegens het niet betalen van het griffierecht. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen was geopposeerde partij.

Opposant stelde in het verzetschrift dat het griffierecht was betaald, maar dat hij zich had vergist in de adressering en dat het bedrag alsnog door een familielid in Nederland zou worden voldaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze verklaring onvoldoende was om het verzuim te rechtvaardigen, mede omdat geen bewijs van betaling was overgelegd.

De Raad concludeerde dat het niet betalen van het griffierecht voor rekening van opposant komt en dat het verzet daarom ongegrond is. Er waren geen omstandigheden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Het verzet werd derhalve verworpen en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.

Uitspraak

04/2530 AAWAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats] (Marokko), opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 5 november 2004 het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2004, nummer AWB 02/4950 AAWAO, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet is betaald.
Tegen die uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad gehouden op 26 augustus 2005, waar beide partijen - geopposeerde met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van 5 november 2004 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
In het verzetschrift heeft opposant aangegeven dat hij het griffierecht heeft betaald maar dat hij zich in de adressering heeft vergist en dat het bedrag alsnog door een familielid in Nederland betaald zal worden.
Hetgeen opposant heeft aangevoerd bevat geen grond op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
De Raad overweegt daartoe dat een fout in de adressering, waarvan geen bewijs is overlegd, voor rekening van opposant dient te komen en overigens dat het griffierecht tot op heden niet is betaald.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
CVG