ECLI:NL:CRVB:2005:AU4294
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.G. Kasdorp
- H.R. Geerling-Brouwer
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Vermogensvaststelling en aftrek advocaatkosten bij berekening WUV-uitkering
Eiser, een uitkeringsgerechtigde vervolgingsslachtoffer, betwistte het door verweerster vastgestelde vermogen dat ten grondslag lag aan zijn periodieke WUV-uitkering. Verweerster had het vermogen bepaald op basis van een dadingsovereenkomst over de nalatenschap van eisers moeder, met aftrek van notariskosten, maar zonder rekening te houden met advocaatkosten die eiser maakte om zijn erfdeel te verkrijgen.
Tijdens de zitting gaf verweerster aan dat zij alsnog bereid was de advocaatkosten van twee advocaten gedeeltelijk in mindering te brengen op het vastgestelde vermogen. Eiser stemde hiermee in, waardoor het bestreden besluit op dit punt niet langer houdbaar was en vernietiging in aanmerking kwam.
Ten aanzien van de ingangsdatum van de vermogenskorting stelde verweerster dat rekening wordt gehouden vanaf 1 januari 1998, hoewel de erfenis pas in juni 2002 werd uitgekeerd. De Raad oordeelde dat dit tijdstip niet onredelijk was, gelet op het beleid dat vermogen vanaf de maand na overlijden van de erflater wordt betrokken bij de uitkering.
De Raad verklaarde het beroep gegrond voor zover het betrekking had op de omvang van het vermogen, vernietigde het besluit in dat onderdeel, en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Verweerster werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht aan eiser vergoeden.
Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de omvang van het vermogen, het besluit wordt op dat punt vernietigd en verweerster wordt veroordeeld in de proceskosten.