ECLI:NL:CRVB:2005:AU4386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging indeling uitzendbedrijf in risicopremiegroep op basis van uitzendbeding
Appellante, een uitzendbedrijf, was door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingedeeld in de risicopremiegroep Uitzendbedrijven IIa op grond van de Werkloosheidswet. Appellante maakte bezwaar tegen deze indeling, stellende dat haar arbeidsovereenkomsten kenmerken van detachering bevatten en niet uitsluitend een uitzendbeding. De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit op bezwaar wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep betoogde appellante dat de gehele overeenkomst beoordeeld moet worden en dat bepalingen duiden op detachering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het uitzendbeding, zoals opgenomen in artikel 3 van Pro de arbeidsovereenkomsten, doorslaggevend is voor de indeling in een risicopremiegroep. De Raad verwees naar artikel 7:691 lid 2 BW Pro en het Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven 2003.
De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij werd benadrukt dat het kenmerk van een uitzendbeding is dat de werknemer zonder opzegtermijn kan opzeggen. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en sprak het vonnis uit op 13 oktober 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de risicopremiegroepindeling op basis van het uitzendbeding en wijst het hoger beroep af.