ECLI:NL:CRVB:2005:AU4677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering berust op onjuiste grondslag
Appellant ontving vanaf 13 februari 2002 een bijstandsuitkering volgens de norm voor gehuwden. De gemeente Utrecht trok het recht op bijstand met terugwerkende kracht in per 13 februari 2002 en vorderde de bijstandskosten over de periode 13 februari tot en met 31 mei 2002 terug, omdat appellant onvoldoende informatie had verstrekt over zijn werkzaamheden via uitzendbureaus.
Appellant stelde dat hij pas vanaf 2 april 2002 werkzaamheden verrichtte, wat werd onderbouwd met loonstroken en arbeidsovereenkomsten. De Raad oordeelde dat het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode 13 februari tot 2 april 2002 op een onjuiste grondslag berustte. Over april 2002 kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld vanwege het ontbreken van loonstroken over weken 16 en 17, maar over mei 2002 was voldoende looninformatie verstrekt.
De Raad vernietigde daarom het besluit van 28 november 2002 voor zover dit betrekking had op de intrekking en terugvordering over de genoemde perioden en bepaalde dat de gemeente een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 13 februari tot 1 april 2002 en mei 2002 wordt vernietigd en de gemeente moet een nieuw besluit nemen.