ECLI:NL:CRVB:2005:AU4702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke beëindiging WW-uitkering bij meer dan drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten met dezelfde werkgever
Appellant ontving een WW-uitkering en had met zijn werkgever meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgden met tussenpozen van minder dan drie maanden. Hierdoor ontstond volgens de wet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Gedaagde beëindigde daarom gedeeltelijk de WW-uitkering voor het aantal uren van de vierde oproep, gesteld op 11 uur per week.
Appellant maakte bezwaar tegen de omvang van de vastgestelde arbeidsovereenkomst en voerde aan dat het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW nog niet van toepassing was. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar het hoger beroep richtte zich op de onduidelijkheid en onjuiste motivering van de omvang van de arbeidsovereenkomst na conversie.
De Raad oordeelde dat de werkgever onvoldoende had gemotiveerd waarom de omvang van 11 uur per week moest gelden en dat het karakter van de oproepovereenkomst niet zomaar kon leiden tot een vaste omvang van loonbetaling. Ook was het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW niet van toepassing. Het besluit ontbeerde daardoor een deugdelijke motivering en werd vernietigd. Gedaagde werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot gedeeltelijke beëindiging van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de omvang van de arbeidsovereenkomst na conversie.