ECLI:NL:CRVB:2005:AU4808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van samenhang arbeidsongeschiktheid voor WAO-uitkering na borstkanker
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WAO-uitkering aan een werkneemster die eerder vanwege borstkanker en de daarmee samenhangende klachten arbeidsongeschikt was. Na een periode van 52 weken zonder WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, viel zij opnieuw uit met klachten aan de rechterarm en schouder. De verzekeringsarts stelde dat deze klachten niet voortkwamen uit dezelfde oorzaak als de eerdere klachten.
De rechtbank oordeelde echter dat de rechterarmklachten verband hielden met de oorspronkelijke borstkanker en operatie, en dat het voordeel van de twijfel aan de werkneemster toekomt. Appellant stelde dat sprake was van een andere oorzaak en dat artikel 43a WAO niet van toepassing was. De Raad constateert dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere arbeidsongeschiktheid.
De Raad benadrukt dat de rechtbank, hoewel niet medisch deskundig, terecht het voordeel van de twijfel aan de werkneemster gaf. De weigering van de WAO-uitkering is daarmee terecht. Tevens veroordeelt de Raad appellant tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak en wijst het beroep van appellant af.