ECLI:NL:CRVB:2005:AU5120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende verlies verdiencapaciteit
Appellante, geboren in 1975, werkte als kleuterleidster maar staakte haar werkzaamheden vanwege enkelklachten na een verkeersongeval. Na een korte periode als groepshulp in de kinderopvang stopte zij ook hiermee wegens klachten. Gedaagde weigerde haar WAO-uitkering omdat zij nog in staat werd geacht met gangbare arbeid een voldoende loon te verdienen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen niet onzorgvuldig was en dat er voldoende arbeidsplaatsen beschikbaar waren die appellante kon vervullen, waardoor haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Appellante voerde aan dat haar psychische beperkingen en de ernst van haar enkelklachten onvoldoende waren meegewogen en dat aanvullend onderzoek had moeten plaatsvinden.
De Raad overwoog dat ondanks het ontbreken van lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts, de medische besluitvorming voldoende was onderbouwd. De klachten van appellante werden als reëel beschouwd en er was geen aanwijzing dat haar beperkingen werden onderschat. Ook de psychische klachten konden niet leiden tot een andere beoordeling omdat een deel van de problematiek na de beslissingsdatum was ontstaan.
De Raad stelde dat het werk als kleuterleidster maatgevend is, niet het kortdurende werk als groepshulp. De functie van samensteller geluids- en communicatieapparatuur werd als passend beoordeeld, ondanks het ontbreken van een VBO-diploma, omdat geen ervaringseis was gesteld. De mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 15%, zodat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellante met gangbare arbeid voldoende loon kan verdienen.