ECLI:NL:CRVB:2005:AU5129

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5840 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering op basis van geschiktheid voor 30 uur arbeid per week

Appellant, voormalig lasser, viel uit wegens gezondheidsklachten gerelateerd aan diabetes en ontving een volledige WAO-uitkering. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidskundig onderzoek werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45-55%, wat leidde tot bezwaar en beroep.

De rechtbank benoemde een onafhankelijke internist als deskundige, die concludeerde dat appellant maximaal 30 uur per week arbeid kon verrichten. Op basis hiervan herzag het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid naar 65-80%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat 30 uur werken te veel was en hij geheel niet tot arbeid in staat was. De Raad volgde echter het oordeel van de onafhankelijke deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen medische stukken die het oordeel van de deskundige ondermijnden of het onderzoek onzorgvuldig maakten.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep geen doel treft en bevestigde het bestreden besluit, waarbij geen toepassing van artikel 8:75 Awb Pro aan de orde was. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken door rechter D.J. van der Vos.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geschikt is geacht om 30 uur per week te werken en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5840 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 maart 2002 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% per 9 mei 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
Bij besluit van 2 september 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 19 maart 2002.
Bij besluit van 5 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar genomen inhoudende dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid per 9 mei 2002 wordt herzien en nader vastgesteld naar 65-80% in de zin van de WAO.
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 24 november 2003, geregistreerd onder nummer WAO 02/1006, het beroep van appellant tegen het besluit van 2 september 2002 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, zulks met overwegingen betreffende het griffierecht en de proceskosten.
Op bij aanvullend beroepschrift van 22 december 2003 aangevoerde gronden heeft de gemachtigde van appellant, mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar, namens appellant hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 9 september 2005, waar namens appellant - zonder voorafgaand bericht - niemand is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Roele, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als lasser tot hij op 5 juli 1999 uitviel met rugpijn, pijn in de borst, vermoeidheidsklachten, hoge bloeddruk en duizeligheid. Deze klachten zijn het gevolg van diabetes. Per einde wachttijd heeft appellant een volledige WAO-uitkering toegekend gekregen.
In het kader van de herbeoordeling is appellant op 26 oktober 2001 onderzocht door de verzekeringsarts A.A.W. Haver die ten aanzien van appellant beperkingen heeft vastgesteld welke zijn weergegeven in het belastbaarheidspatroon.
Na arbeidskundig onderzoek heeft gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herzien en nader vastgesteld op 45-55%. Het hiertegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard, waarna appellant beroep heeft ingesteld bij de rechtbank Alkmaar.
De rechtbank heeft aanleiding gezien de internist prof. dr. L. Abraham-Inpijn als deskundige te benoemen. Abraham-Inpijn heeft de rechtbank een rapport doen toekomen waarin ondermeer naar voren is gekomen dat appellant maximaal dertig uur per week arbeid kan verrichten.
De uitkomst van het onderzoek van de deskundige is voor gedaagde aanleiding geweest een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar is door de rechtbank ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat dertig uur per week werken te veel voor hem is. Hij is in het geheel niet tot het verrichten van arbeid in staat.
De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of gedaagde terecht en op goede gronden appellant geschikt heeft geacht de geselecteerde functies te verrichten gedurende dertig uur per week.
De Raad antwoordt deze vraag bevestigend en verwijst daartoe naar de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient in beginsel het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke medische deskundige te worden gevolgd. In dit geval doen zich geen feiten of omstandigheden voor die grond vormen om van deze lijn af te wijken. De Raad neemt daarbij mede in ogenschouw dat Arbraham-Inpijn bij schrijven van 13 juni 2003 een heroverweging van haar eerdere rapportage heeft gemaakt waarbij zij wederom tot een beperking tot dertig uur concludeerde.
Van de zijde van appellant zijn geen (medische) stukken ingediend waaruit blijkt dat van hem niet verlangd kan worden gedurende dertig uur per week arbeid te verrichten of waaruit blijkt dat het onderzoek door de deskundige of de daaruit voortvloeiende conclusie onvolledig, onzorgvuldig of onjuist is te achten.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.W. van Huussen.
MR