ECLI:NL:CRVB:2005:AU5217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen met één jaar terugwerkende kracht na opname echtgenote in verpleeghuis
Appellant en zijn echtgenote ontvingen een AOW-pensioen voor gehuwden nadat zij beiden 65 jaar waren geworden. Na opname van de echtgenote in een ziekenhuis en later in een verpleeghuis, verzochten zij om herziening van het pensioen naar de norm voor ongehuwden met terugwerkende kracht vanaf 2000.
De Sociale verzekeringsbank herzag het pensioen met ingang van 1 januari 2002, met terugwerkende kracht van één jaar, omdat geen sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde dit besluit en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de omstandigheden van appellant niet kwalificeren als een bijzonder geval. Onbekendheid met de wettelijke voorschriften en vermeende onvoldoende informatieverstrekking door de bank zijn volgens vaste rechtspraak geen grond voor een bijzonder geval.
De Raad benadrukte dat appellant de bank niet tijdig had geïnformeerd over de opname van zijn echtgenote, en dat de bank via diverse publicaties voldoende informatie had verstrekt over herzieningsmogelijkheden. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen met één jaar terugwerkende kracht wordt bevestigd; geen sprake van bijzonder geval voor langere terugwerkende kracht.