Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5217

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/894 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, tweede lid, eerste volzin AOWArt. 17, tweede lid AOWArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening AOW-pensioen met één jaar terugwerkende kracht na opname echtgenote in verpleeghuis

Appellant en zijn echtgenote ontvingen een AOW-pensioen voor gehuwden nadat zij beiden 65 jaar waren geworden. Na opname van de echtgenote in een ziekenhuis en later in een verpleeghuis, verzochten zij om herziening van het pensioen naar de norm voor ongehuwden met terugwerkende kracht vanaf 2000.

De Sociale verzekeringsbank herzag het pensioen met ingang van 1 januari 2002, met terugwerkende kracht van één jaar, omdat geen sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank bevestigde dit besluit en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de omstandigheden van appellant niet kwalificeren als een bijzonder geval. Onbekendheid met de wettelijke voorschriften en vermeende onvoldoende informatieverstrekking door de bank zijn volgens vaste rechtspraak geen grond voor een bijzonder geval.

De Raad benadrukte dat appellant de bank niet tijdig had geïnformeerd over de opname van zijn echtgenote, en dat de bank via diverse publicaties voldoende informatie had verstrekt over herzieningsmogelijkheden. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen met één jaar terugwerkende kracht wordt bevestigd; geen sprake van bijzonder geval voor langere terugwerkende kracht.

Uitspraak

04/894 AOW
E N K E L V O U D I G E K A M E R
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 januari 2004, nr. AWB 03/581, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft appellant bij brief van 12 augustus 2005 nog enige stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is op 16 augustus 1956 gehuwd met [naam echtgenote]. Gedaagde heeft, nadat appellant en zijn echtgenote in 1997 beiden de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt, aan hen een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van het maximale pensioen voor een gehuwde.
In april 2000 is de echtgenote van appellant opgenomen in een ziekenhuis in [woonplaats], waarna zij vanaf 12 september 2000 is opgenomen in een verpleeghuis in Dordrecht en vanaf 30 november 2000 in verpleeghuis Swinhove te [woonplaats]. In januari 2003 hebben appellant en zijn echtgenote aan gedaagde verzocht hen als duurzaam gescheiden levend aan te merken.
Bij besluit van 10 maart 2003 heeft gedaagde het aan appellant toegekende AOW-pensioen met ingang van 1 januari 2002 herzien naar het pensioen voor een ongehuwde. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt herzien. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om het pensioen vanaf 2000 te herzien. Bij beslissing op bezwaar van 28 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep eveneens ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil of gedaagde terecht heeft besloten het aan appellant toegekende ouderdomspensioen eerst met ingang van 1 januari 2002 te herzien naar het pensioen voor een ongehuwde.
Gedaagde heeft het ouderdomspensioen van appellant op grond van de artikelen 17, tweede lid, en 16, tweede lid, eerste volzin van de AOW herzien met een terugwerkende kracht van één jaar. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van laatstgenoemd artikellid, zodat het pensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht herzien kan worden.
De Raad is met gedaagde van oordeel dat op grond van de door appellant aangevoerde redenen waarom niet tijdig is verzocht om herziening van het ouderdomspensioen, niet aangenomen kan worden dat sprake is van een bijzonder geval. Appellant heeft aangevoerd dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat in zijn situatie sprake was van duurzaam gescheiden leven en dat gedaagde hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de opnames van zijn echtgenote voor zijn aanspraak op ouderdomspensioen. Hieruit volgt dat appellant onbekend was met de mogelijkheid om, vanaf het moment dat sprake was van duurzaam gescheiden leven, te verzoeken om herziening van zijn ouderdomspensioen. Krachtens vaste rechtspraak van de Raad levert onbekendheid met wettelijke voorschriften -als hier aan de orde- geen bijzonder geval op. Voorts kan gedaagde niet verweten worden dat hij appellant onvoldoende heeft geïnformeerd over de mogelijkheden om herziening van het ouderdomspensioen te vragen. Daarbij wijst de Raad erop dat appellant gedaagde voor januari 2003 niet heeft ingelicht over de opnames van zijn echtgenote, zodat gedaagde daarmee ook niet bekend kon zijn. Voorts heeft gedaagde in diverse publicaties pensioengerechtigden geïnformeerd over de mogelijkheden ten aanzien van herziening van het ouderdomspensioen na een (langdurige) opname van een partner in een ziekenhuis of een verpleeghuis.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) C.D.A. Bos.