Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4096 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij fibromyalgie

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAO-uitkering, omdat zij van mening was dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld. Zij was uitgevallen met RSI-achtige klachten, maar later werd de diagnose fibromyalgie gesteld. De verzekeringsarts hield echter vast aan de RSI-diagnose, wat volgens appellante leidde tot een onderschatting van haar beperkingen.

De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de diagnose fibromyalgie vooral een klachtenomschrijving is zonder objectief medisch substraat. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een andere beoordeling van het belastbaarheidspatroon. De subjectieve klachten van appellante waren al meegenomen in de beoordeling.

De Raad vond geen objectieve medische gronden om het oordeel van de verzekeringsarts te verwerpen. Het onderzoek was voldoende gericht op objectivering van de klachten. Gezien het beschikbare rapport was aannemelijk dat appellante op de datum van het besluit in staat was tot de werkzaamheden die passen bij de resterende functies. Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4096 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen onder dagtekening 3 juli 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer 02/902 WAO.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 1 september 2005, met als bijlage een arbeidskundige rapportage van 30 augustus 2005, heeft gedaagde onder meer een nadere onderbouwing verstrekt van het in geding zijnde besluit.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 13 september 2005, waar partijen - gedaagde met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het besluit van 13 mei 2002, hierna: het bestreden besluit, in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt als volgt.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 16 januari 2002, strekkende tot weigering aan appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 21 januari 2002, van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op de grond dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.
Appellante is de mening toegedaan - en zij handhaaft deze mening in hoger beroep - dat haar beperkingen vanwege gedaagde niet juist zijn vastgesteld. In dit verband wijst zij erop dat zij op 22 januari 2001 weliswaar met RSI-achtige klachten is uitgevallen voor haar werkzaamheden als softwareprogrammeur, maar dat naderhand bij onderzoek door een aan de Sint Maartenskliniek verbonden reumatoloog is gebleken dat het het meest waarschijnlijk is te achten dat zij lijdende is aan het fibromyalgiesyndroom.
Bij het vaststellen van haar beperkingen is de verzekeringsarts van gedaagde evenwel nog uitgegaan van de diagnose RSI, hetgeen naar de zienswijze van appellante heeft geleid tot een onjuist belastbaarheidspatroon, waarin haar beperkingen zijn onderschat. De verzekeringsarts heeft volgens appellante, in verband met het feit dat hij nog uitging van RSI als oorzaak voor haar klachten, ten onrechte niet getracht aan de hand van de zogeheten drukpuntenmethode vast te stellen waar precies in haar lichaam zich de pijnklachten bevinden die zij als gevolg van fibromyalgie ervaart. Aldus is geen juist beeld (kunnen) ontstaan van haar beperkingen.
De Raad kan appellante hierin, in navolging van de rechtbank, niet volgen. De Raad stelt zich achter de reactie van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn, als neergelegd in het rapport van die arts van 1 mei 2002. In dat rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts onder meer aangegeven dat de aanduiding fibromyalgie in het bijzonder moet worden gezien als een klachtenomschrijving, waarbij geen organisch substraat aanwijsbaar is. Uit de door de reumatoloog Stenger van de Sint Maartenskliniek verstrekte gegevens blijkt inderdaad, aldus de bezwaarverzekeringsarts, dat bij appellante geen objectieve afwijkingen zijn geconstateerd, met name geen auto-immuunziekte of een inflammatoire gewrichtsaandoening.
In het licht hiervan zag de bezwaarverzekeringsarts geen aanknopingspunten om het ten aanzien van appellante door de primaire verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon op enig punt aan te scherpen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts op basis van de subjectieve klachtenbeleving van appellante diverse beperkingen van toepassing heeft geacht en dat daarmee reeds in verregaande mate is tegemoet gekomen aan die klachtenbeleving.
De Raad heeft noch in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, noch anderszins, objectief-medische aanknopingspunten aangetroffen om evenvermelde zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. De enkele omstandigheid dat de aanvankelijke diagnose RSI naderhand niet juist werd geacht, in die zin althans dat volgens de reumatoloog toch meer aan fibromyalgie moet worden gedacht, vormt, anders dan appellante meent, op zich geen toereikende grond om meer of andere beperkingen aan te nemen. Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande door appellante is gesteld, overweegt de Raad nog dat op grond van de beschikbare verzekeringsgeneeskundige rapporten niet kan worden gezegd dat het door de verzekeringsartsen van gedaagde verrichte onderzoek niet in voldoende mate dan wel niet voldoende serieus is gericht geweest op objectivering van de klachten van appellante.
Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante op de in geding zijnde datum 21 januari 2002 niet zijn onderschat, is de Raad voorts van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is te achten dat appellante op de datum in geding in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de functies die, blijkens het rapport van 30 augustus 2005 - nadat gedaagde alsnog enkele functies niet heeft gehandhaafd om reden dat ze wisselende diensten kennen dan wel een actualiseringsdatum kennen die meer dan anderhalf jaar voor de datum in geding is gelegen - als grondslag voor de onderhavige schatting resteren.
Nu in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook overigens geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit in rechte niet juist te achten, volgt uit het bovenstaande dat de hiervoor vermelde rechtsvraag bevestigend moet worden beantwoord. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2005.
(get.) J.W.Schuttel.
(get.) J.W. Engelhart.
BKH