ECLI:NL:CRVB:2005:AU5286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/5629 AW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij hoger beroep ontslag wegens ziekte

Het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem die het ontslag van een werknemer wegens ziekte vernietigde, maar de rechtsgevolgen in stand liet. De rechtbank oordeelde dat sprake was van laakbaar handelen van de werkgever en heropende het onderzoek naar de omvang van de schadevergoeding.

Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om de werking van de uitspraak te schorsen, stellende dat het waarschijnlijk was dat de uitspraak niet in stand zou blijven en dat er een restitutierisico bestond.

De voorzieningenrechter overwoog dat het enkele feit dat de uitspraak mogelijk niet in stand blijft geen spoedeisend belang vormt. Daarnaast leidde de uitvoering van de uitspraak niet tot onoverkomelijke organisatorische of financiële problemen voor verzoeker. Het restitutierisico was nog niet concreet omdat de omvang van de schadevergoeding nog niet was vastgesteld.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Ook werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

05/5629 AW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, in het geding tussen:
het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juni 2005, nr. Awb AWB 04/439, waarnaar hierbij wordt verwezen. Tevens heeft verzoeker verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.
Desgevraagd is namens verzoeker het spoedeisend belang van zijn verzoek aangegeven.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan gedaagde is met ingang van 1 oktober 2003 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Bij haar onder I vermelde uitspraak heeft de rechtbank het ontslagbesluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.
1.2. De rechtbank is voorts tot het oordeel gekomen dat voldoende is gebleken van zodanig aan verzoeker toe te rekenen (laakbaar) handelen of nalaten dat verzoeker in redelijkheid niet tot ontslag heeft kunnen komen zonder hieraan een passende vergoeding te verbinden. De rechtbank heeft aangegeven voornemens te zijn zelf een passende vergoeding vast te stellen en heeft bepaald dat het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de schadevergoeding wordt heropend.
2. Verzoeker heeft gesteld dat het naar zijn oordeel waarschijnlijk is dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand zal blijven en dat hij er daarom belang bij heeft dat de inmiddels door de rechtbank vastgestelde nadere zitting van de rechtbank geen doorgang vindt. Voorts wijst verzoeker op het restitutierisico dat ontstaat, indien hij op basis van een nadere uitspraak van de rechtbank tot betaling zou dienen over te gaan.
3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 27 augustus 1998, TAR 1998, 174, overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd.
3.3. De (uitvoering van de) door verzoeker aangevallen uitspraak leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot voor verzoeker(s organisatie) onoverkomelijke problemen van organisatorische of financiële aard. Als zodanig kan immers niet worden gezien de door de rechtbank bepaalde nadere zitting. Evenmin kan dat (al) worden gezegd van het gestelde restitutierisico, nu de omvang van de schadevergoeding nog niet is bepaald.
3.4. Omdat dus naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zwaarwegend spoedeisend belang dat het treffen van een voorziening vordert, ontbreekt, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
4. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2005.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.