ECLI:NL:CRVB:2005:AU5534

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6595 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken nationaliteitsbewijs en vervolging

De erven van betrokkene hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad tot afwijzing van een aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van bewijs dat betrokkene ten tijde van de oorlog de Nederlandse nationaliteit bezat en het feit dat betrokkene geen vervolging heeft ondergaan.

Betrokkene was geboren in 1938 in Makassar als dochter van een Nederlandse vader en een Indonesische moeder. Ondanks uitgebreid onderzoek, onder meer via de Nederlandse ambassade in Jakarta, kon geen officiële bevestiging worden gevonden van de Nederlandse nationaliteit van betrokkene. Geboorteregisters waren verloren gegaan en militaire registraties en nationaliteitsdossiers bevatten geen aanwijzingen voor het bestaan van kinderen van de vader.

De Raad oordeelde dat de bewijsvoering voor het vaststellen van nationaliteit hoge eisen stelt en dat de overgelegde documenten zoals notariële verklaringen en brieven van militaire commandanten niet voldoende zijn omdat zij niet gebaseerd zijn op officiële gegevens. Hierdoor is het beroep ongegrond verklaard. Tevens is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van bewijs van Nederlandse nationaliteit en het ontbreken van vervolging.

Uitspraak

04/6595 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats] (Indonesië), eisers,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 september 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0659, heeft verweerster ten aanzien van eisers een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit hebben eisers op bij het beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding nr. 04/6257 WUV ten name van [naam eiser geding 04/6257 WUV], behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2005. Aldaar zijn eisers niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit heeft verweerster, na bezwaar, gehandhaafd haar besluit van 18 augustus 2003, waarbij de aanvraag van thans wijlen [betrokkene] (hierna: betrokkene) om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet werd afgewezen. Hiertoe is overwogen dat betrokkene geen vervolging heeft ondergaan en voorts niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet vervatte nationaliteitsvereisten, zodat ook gelijkstelling met de vervolgde als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet niet mogelijk is.
Het geding tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerster terecht en op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat onvoldoende is kunnen blijken dat betrokkene - die laatstelijk de Indonesische nationaliteit had - ten tijde van de oorlogsjaren 1940-1945 de Nederlandse nationaliteit heeft gehad.
Door en namens betrokkene is naar voren gebracht dat zij op 7 november 1938 te Makassar werd geboren als wettige dochter uit het huwelijk van de Nederlander [naam vader], die in maart 1945 in Japanse krijgsgevangenschap is overleden, en de Indonesische vrouw [naam moeder].
Verweerster heeft, na zeer uitgebreid onderzoek mede via de Nederlandse ambassade te Jakarta, overgenomen het door die ambassade ingenomen standpunt dat ten behoeve van betrokkene voor de toepassing van de Wet niet een zogenoemde nationaliteitsverklaring kan worden afgegeven. Hierbij is geconcludeerd dat betrokkene niet in haar stelling kan worden gevolgd nu officiële bescheiden waaruit de gestelde afstamming zou kunnen blijken niet ter tafel zijn gekomen. Verweerster heeft met name van betekenis geacht dat, bij gebreke van de geboorteakte omdat de betreffende geboorteregisters niet meer (volledig) aanwezig zijn, uit de bij het ministerie van Defensie over [naam vader] voornoemd aanwezige registratieve gegevens, noch uit een in het “oude Jakarta archief” aangetroffen nationaliteitsdossier uit 1954 ten name van [naam vader] blijkt van kinderen.
De Raad kan zich met dit oordeel van verweerster verenigen.
Nu het gaat om de vaststelling van de nationaliteit stelt verweerster aan de bewijsvoering terecht hoge eisen. Dit brengt voor dit geval mee dat, bij gebreke van de officiële geboorteakte omdat geboorteregisters verloren zijn gegaan, van de gestelde afstamming tenminste op enigerlei andere wijze in officiële gegevens bevestiging gevonden moet kunnen worden. Met zodanige gegevens kunnen een notariële verklaring van erfrecht, bekendheidsverklaringen en besluiten ter uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling, zoals door en namens betrokkene overgelegd, niet op een lijn worden gesteld, nu de inhoud daarvan niet, althans niet kenbaar berust op kennisname van officiële gegevens als hiervoor bedoeld. In voorts nog overgelegde brieven uit 1948 van Commandanten der Zeemacht in het voormalige Nederlands-Indië, waarin aan [naam moeder] het overlijden van haar echtgenoot [naam vader] wordt bekendgemaakt, wordt van eventuele kinderen niet gerept.
Onder deze omstandigheden acht ook de Raad van doorslaggevende betekenis dat in de genoemde militaire registratieve gegevens, noch in het genoemde nationaliteitsdossier van kinderen van [naam vader] sprake is.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de in geding zijnde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het door eisers ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.