Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5540

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5939 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 32 WUBOArt. 33 WUBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming kosten extra vakantie psychisch oorlogsinvaliditeit

Eiser, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische oorlogsinvaliditeit, verzocht om een tegemoetkoming in de kosten van extra vakantie. Verweerster wees dit verzoek af omdat deze kosten niet medisch of medisch-sociaal geïndiceerd waren en geen bijzondere kosten meebrachten.

Eiser diende een vervolgaanvraag in voor vergoeding van kosten van zijn jaarlijkse vlucht naar het buitenland, die eveneens werd afgewezen. De Raad verklaarde het beroep tegen deze afwijzing in 2004 gegrond wegens onvoldoende onderzoek naar een mogelijke tegemoetkoming op grond van artikel 33 van Pro de Wet.

Verweerster heeft daarop een nieuw besluit genomen en vastgesteld dat eiser reeds een tegemoetkoming ontving voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. De Raad oordeelt dat verweerster met dit besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak en verklaart het beroep ongegrond.

Proceskostenvergoeding wordt niet toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De uitspraak bevestigt dat binnen het beoordelingskader geen ruimte is voor vergoeding van extra vakantiekosten op basis van psychische oorlogsinvaliditeit.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor vergoeding van kosten van extra vakantie wordt afgewezen.

Uitspraak

04/5939 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 29 september 2004, kenmerk CR 1854/2004, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Bij brief van 22 november 2004 heeft eiser de Raad nog enkele stukken doen toekomen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Hierop heeft eiser bij brief van 11 februari 2005 gereageerd.
Op verzoek van de Raad heeft verweerster vervolgens nog een aantal stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2005. Eiser is daar in persoon verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser op grond van psychische oorlogsinvaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Verweerster heeft eiser een periodieke uitkering verleend alsmede onder meer een vergoeding voor vervoerskosten ten behoeve van het onderhouden van sociale contacten.
Een verzoek van eiser, door verweerster geduid als een aanvraag om een voorziening in de kosten van extra vakantie tijdens de meidagen, is bij besluit van 28 mei 1999 afgewezen op de grond dat een extra vakantie op grond van eisers psychische oorlogsinvaliditeit niet medisch of medisch-sociaal is geïndiceerd en dat zijn invaliditeit tijdens een vakantie geen extra dan wel bijzondere kosten meebrengt.
In september 2002 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van “zijn jaarlijkse vlucht naar het buitenland”.
Verweerster heeft deze, door haar als verzoek om herziening aangemerkte, aanvraag afgewezen bij besluit van 29 januari 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juni 2003. Verweerster heeft daarbij opnieuw het standpunt ingenomen dat eiser niet op grond van zijn psychische oorlogsinvaliditeit op deze voorziening is aangewezen.
De Raad heeft het door eiser tegen dit laatste besluit ingediende beroep bij zijn uitspraak van 9 september 2004, nr. 03/4086 WUBO, gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover daarbij eisers verzoek om een tegemoetkoming met toepassing van artikel 33 van Pro de Wet was afgewezen.
Daarbij heeft de Raad - kort samengevat - overwogen dat verweerster op goede gronden heeft geweigerd eiser met toepassing van artikel 32 van Pro de Wet een vergoeding van de kosten van extra vakantie toe te kennen, maar dat niet is gebleken dat verweerster had onderzocht of eisers aanvraag om een tegemoetkoming ingevolge artikel 33 van Pro de Wet voor honorering in aanmerking zou kunnen komen in het kader van de ingaande 1 januari 2002 onder de noemer “Deelname aan het maatschappelijk verkeer” in het leven geroepen voorziening, welke is bestemd voor de extra kosten verbonden aan onder meer het onderhouden van sociale contacten en vakantie. De Raad was van oordeel dat verweerster haar besluit niet met de in deze vereiste zorgvuldigheid had voorbereid.
De Raad heeft bepaald dat verweerster een nieuw besluit diende te nemen met in achtneming van hetgeen in zijn uitspraak is overwogen.
Het thans bestreden besluit heeft verweerster genomen ter uitvoering van die uitspraak.
Gelet op het vorenstaande staat de Raad ter beoordeling of verweerster met dat besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de bovengenoemde uitspraak van de Raad.
Uit de gedingstukken blijkt dat verweerster na intern onderzoek alsnog heeft kunnen vaststellen dat aan eiser bij besluit van 8 november 2001 met ingang van 1 januari 2001 een tegemoetkoming is toegekend als bedoeld in artikel 33 van Pro de Wet voor de zogenoemde voorziening “Deelname aan het maatschappelijk verkeer”.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster op grond daarvan eisers bezwaar tegen haar primair genomen besluit van 29 januari 2003 wederom ongegrond verklaard.
Nu is gebleken dat verweerster inderdaad heeft onderzocht of eisers aanvraag om een tegemoetkoming ingevolge artikel 33 van Pro de Wet voor honorering in aanmerking zou kunnen komen en hem ook in aanmerking heeft gebracht voor een tegemoetkoming in kosten voor deelname aan het maatschappelijk verkeer, is de Raad van oordeel dat op juiste wijze uitvoering gegeven aan zijn uitspraak.
Voor een hernieuwde beoordeling van de vraag of het niet toekennen door verweerster van een vergoeding van de kosten van “zijn jaarlijkse vlucht naar het buitenland” op goede grond berust, bestaat binnen het hier aan de orde zijnde beoordelingskader geen ruimte. Met betrekking tot die vraag heeft de Raad reeds uitspraak gedaan bij de bovengenoemde uitspraak van 9 september 2004.
Het vorenstaande betekent dat het door eiser ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer en als leden in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.