ECLI:NL:CRVB:2005:AU5580

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5350 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-tijdig indienen hoger beroep in WAO-zaak

Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem in een WAO-zaak, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig bij de Raad was ingediend. Opposant kwam hiertegen in verzet en stelde dat het beroepschrift op tijd was verzonden, maar kon dit niet aantonen.

De Raad overwoog dat de wettelijke termijn voor het indienen van het beroepschrift zes weken bedraagt en dat het beroepschrift uiterlijk binnen deze termijn ter post moet zijn bezorgd. Uit de poststempel bleek dat het beroepschrift pas na afloop van de termijn was verzonden en ontvangen. Omdat het beroepschrift niet aangetekend was verzonden, kon het tijdstip van verzending niet worden vastgesteld.

De Raad stelde vast dat de gevolgen van het niet-aangetekend verzenden van een poststuk voor rekening van de verzender komen en zag geen reden om hiervan af te wijken. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de eerdere uitspraak van 13 mei 2005 in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5350 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet (BW) in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 16 augustus 2004 (reg. nr. AWB 03/2753) tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 13 mei 2005 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig bij de Raad is ingediend en niet is gebleken van redenen op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant in verzuim is geweest.
Opposant is van die uitspraak in verzet gekomen.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 2005, waar opposant is verschenen en geopposeerde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Volgens artikel 6:24 van Pro de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat voor wat betreft het hoger beroep in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een afschrift aan partijen bekend is gemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De aangevallen uitspraak is op 16 augustus 2004 in afschrift aan partijen verzonden.
De termijn voor het instellen van hoger beroep is aangevangen op 17 augustus 2004 en geëindigd op 27 september 2004. Het beroepschrift is blijkens de poststempel op de enveloppe op 29 september 2004 verzonden en op 30 september 2004 ter griffie ontvangen.
Op grond van bovenvermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ter zitting heeft opposant nogmaals aangevoerd dat hij het beroepschrift op 26 september 2004 persoonlijk in de brievenbus heeft gedaan, maar dat hij dit niet kan aantonen.
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om het verzuim van opposant te verontschuldigen en leidt niet tot een ander oordeel dan hetwelk is neergelegd in de uitspraak van 13 mei 2005.
De Raad overweegt daartoe dat opposant het beroepschrift niet aangetekend dan wel niet bewijs van ontvangst heeft verzonden. Daardoor kan het tijdstip van ter post bezorging niet worden vastgesteld. Volgens vast jurisprudentie komen de gevolgen van het niet-aangetekend verzenden van een poststuk in algemeen voor rekening van de verzender. De Raad ziet in het onderhavige geval geen aanleiding voor een uitzondering op deze regel.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Bw in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de uitspraak van de Raad van
13 mei 2005 derhalve in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J. Verrips.
BKH