ECLI:NL:CRVB:2005:AU5623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor eigen arbeid na ziekteperiode volgens WAO
Appellante, werkzaam als schoonmaakster voor 15 uur per week, viel uit met nekklachten na een auto-ongeval. Bij het einde van de wachttijd van 52 weken werd zij onderzocht door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige die haar geschikt achtten voor neksparende arbeid met specifieke beperkingen. Gedaagde weigerde daarop een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellante geschikt werd geacht voor gangbare arbeid en later specifiek voor haar eigen werk.
Appellante stelde in hoger beroep dat een door haar geraadpleegde arbeidsdeskundige haar ongeschikt achtte voor haar eigen werk, terwijl gedaagde haar op basis van dezelfde beperkingen wel geschikt achtte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundige toetsing en de werkbeschrijving van de arbeidsdeskundige van appellante, adequaat was onderbouwd.
De Raad benadrukte dat bij twijfel over de belastbaarheid in het eigen werk overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts noodzakelijk is om tot een weloverwogen oordeel te komen. Het standpunt van gedaagde dat appellante geschikt was voor haar eigen werk werd daarom bevestigd. De aangevallen uitspraak werd dan ook voor zover aangevochten bevestigd en er was geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt was voor haar eigen werk en wijst het hoger beroep af.